← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BO0329

08/7402 AW, 09/3435 AW en 09/2562 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op de hoger beroepen van: [appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 december 2008, 07/2161, 17 maart 2009, 08/1743, en 19 mei 2009, 09/65 (hierna: aangevallen uitspraak 1, 2 en 3), in de gedingen tussen: appellant en de Minister van Financiën als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Financiën (hierna: minister) Datum uitspraak: 23 september 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroepen ingesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 12 augustus

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat te ’s-Gravenhage. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door R.H. Laurs, werkzaam bij het ministerie van Financiën. II. OVERWEGINGEN
  2. Deze gedingen, die aanvankelijk zijn gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Financiën, zijn in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de minister wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Financiën.
  3. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 2.
  4. Appellant was werkzaam bij de Belastingdienst [regio] als groepsfunctionaris I. Bij brief van 17 oktober 2006 heeft hij de minister verzocht hem met ingang van 1 april 2007 ontslag te verlenen met aanspraak op grond van de Terugkomregeling (TKR) volgens hoofdstuk 3, onderdeel 1.4.2.3, van het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst (RPVB). Hierop heeft de minister bij besluit van 28 november 2006 appellant dit ontslag verleend maar zijn verzoek om aanspraak te mogen maken op de TKR afgewezen. In dit besluit is voorts de volgende passage opgenomen: “Wat ik u wel kan verlenen is conform de bepaling in het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst (RPVB), hoofdstuk 14, onderdeel 1.7.7.3, een terugkeergarantie binnen de regio [regio] voor de maximale periode van 6 maanden tot 1 oktober
  5. Deze garantie houdt enkel in een mogelijke terugkeer binnen de regio op uw huidige bezoldigingsniveau.” Bij besluit van 13 juni 2007 (hierna: bestreden besluit 1) heeft de minister het besluit van 28 november 2006 na door appellant gemaakt bezwaar gehandhaafd. Na nadere overweging heeft de minister bij besluit van 15 april 2008 (hierna: besluit 2) voormeld besluit van 28 november 2006 ingetrokken, het dienstverband met appellant ingaande 1 april 2007 beëindigd en appellant aanspraak gegeven op de TKR. Kennelijk heeft de minister hiermee (ook) willen terugkomen van bestreden besluit
  6. 2.
  7. Bij brief van 17 september 2007 heeft appellant de minister meegedeeld dat hij met ingang van vrijdag 28 september 2007 gebruik wenst te maken van de terugkeergarantie die hem, naar hij stelde, bij het besluit van 28 november 2006 was verleend. Bij besluit van 15 april 2008 heeft de minister dit verzoek afgewezen. Bij besluit van 28 april 2008 (hierna: bestreden besluit 3) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het afwijzingsbesluit van 15 april 2008 ongegrond verklaard. 2.
  8. Bij brief van 23 april 2008 heeft appellant de minister verzocht hem per 1 april 2007, 28 september 2007 dan wel 15 april 2008 weer aan te stellen bij de Belastingdienst met inachtneming van de voorwaarden van de TKR. Bij besluit van 27 juni 2008 heeft de minister dit verzoek afgewezen. Bij besluit van 1 december 2008 (hierna: bestreden besluit 4) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 juni 2008 ongegrond verklaard.
  9. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 1 het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard wegens het vervallen van procesbelang ten gevolge van het nemen van besluit 2, waarbij appellant volgens de rechtbank volledig was tegemoetgekomen; hierbij zijn ook bepalingen gegeven over vergoeding van proceskosten en griffierecht. Bij de aangevallen uitspraken 2 en 3 heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen onderscheidenlijk de bestreden besluiten 3 en 4 ongegrond verklaard.
  10. Naar aanleiding van hetgeen partijen in deze hoger beroepen hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende. 4.
  11. De Raad ziet aanleiding allereerst als zijn oordeel te geven dat in de hiervoor onder 2.1 aangehaalde passage in het besluit van 28 november 2006, naar ook door de minister bij bestreden besluit 3 is erkend, een aanbod is te lezen van een terugkeergarantie. Volgens hoofdstuk 14, onderdeel 1.7.7.3, onder 5, van het RPVB en bevestigd ter zitting van de Raad houdt deze garantie in dat terugkeer wordt gegarandeerd op de oude eenheid en op hetzelfde bezoldigingsniveau, zij het dat geen recht bestaat om in dezelfde functie terug te keren. De Raad is voorts van oordeel dat appellant met zijn onder 2.2 vermelde verzoek van 17 september 2007 te kennen heeft gegeven van bedoeld aanbod gebruik te willen maken. Dit verzoek is gedaan binnen de ook in het aanbod vermelde periode van zes maanden waarvoor deze garantie ten hoogste kon gelden. Het aanbod is voorts, naar ook vanwege de minister ter zitting is aangegeven, eerst bij besluit 2 van 15 april 2008 ingetrokken. Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat het aanbod van de terugkeergarantie op het moment waarop appellant kenbaar maakte daarvan gebruik te willen maken, nog van kracht was. Dit geldt te meer daar in een onderhoud dat appellant op 1 oktober 2007 had met onder meer de mandaathouder en een vertegenwoordiger van Personeelszaken, er kennelijk van uit is gegaan dat het aanbod nog gold. Na dit onderhoud is appellant schriftelijk bericht dat vooralsnog geen standpunt over zijn verzoek van 17 september 2007 werd ingenomen. De omstandigheid dat appellant er eerder blijk van had gegeven geen prijs te stellen op het aanbod, levert in dit geval onvoldoende grond op voor het oordeel dat het aanbod daarmee was vervallen nu immers inmiddels zijn bezwaren tegen het gegeven ontslag zonder TKR ongegrond waren verklaard. In dezelfde zin oordeelt de Raad over de omstandigheid dat niet korte tijd nadat het aanbod was gedaan afspraken zijn gemaakt over de garantie, waarbij de Raad erop wijst dat niet duidelijk is waarop zulke afspraken in dit geval betrekking zouden kunnen of moeten hebben. 4.
  12. Het vorenstaande brengt de Raad tot het oordeel dat de minister gehouden was appellant op zijn verzoek van 17 september 2007 opnieuw in dienst te nemen en te plaatsen in een functie op zijn oude eenheid op hetzelfde bezoldigingsniveau als bepaald in hoofdstuk 14, onderdeel 1.7.7.3, onder 5, van het RPVB, en dit (in beginsel) per 1 oktober
  13. Nu de minister dit niet heeft gedaan moet worden geoordeeld dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak 2 bestreden besluit 3 ten onrechte in stand heeft gelaten. Deze uitspraak dient dan ook, evenals genoemd besluit, te worden vernietigd. 4.
  14. De Raad overweegt ten aanzien van de andere gedingen het volgende. Hij gaat ervan uit dat bij besluit 2 ook het bestreden besluit 1 is ingetrokken. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft appellant geen procesbelang meer bij een oordeel van de Raad over dit bestreden besluit. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 is dus niet-ontvankelijk. Wel ziet de Raad daarin aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep. Voorts wijst de Raad erop dat als de minister binnen een redelijke termijn een juist besluit op het verzoek van appellant van 17 september 2007 had genomen er voor appellant geen aanleiding meer had bestaan voor het indienen van zijn verzoek van 23 april 2008 en het niet had behoeven te komen tot het nemen van het primaire besluit van 27 juni 2008 en bestreden besluit
  15. De Raad ziet hierin grond de aangevallen uitspraak 3 en dit laatste besluit te vernietigen.
  16. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de minister op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 niet-ontvankelijk; Vernietigt de aangevallen uitspraken 2 en 3; Verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten 3 en 4 gegrond en vernietigt deze besluiten; Draagt de minister op een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen het afwijzingsbesluit van 15 april 2008 te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad; Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 966.-; Bepaalt dat de minister aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 736,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van K. Moadinne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september
  17. (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) K. Moaddine. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.