09/5793 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 september 2009, 09/320 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 8 oktober 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. D.A. Harff, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 26 juli 2010 heeft mr. A.L. Kuit, eveneens advocaat te Rotterdam, zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kuit. Het Uwv heeft zich – met voorafgaand bericht – niet laten vertegenwoordigen. Het geding is gevoegd behandeld met het geding, geregistreerd onder het nummer 10/1015 WAO, waarin – na splitsing van deze zaken – heden afzonderlijk uitspraak is gedaan. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant heeft op 17 april 1986 in verband met hart- en spanningsklachten zijn werk als metaalbewerker moeten staken. Per einde wachttijd, te weten op 16 april 1987, is appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.
- Nadien is de WAO-uitkering enkele malen herzien. Met ingang van 2 juni 2003 ontvangt appellant een WAO-uitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheids-percentage van 25 tot
- 2.
- In verband met een claim toegenomen arbeidsongeschiktheid per 7 maart 2006 en 18 juni 2007 heeft appellant op 2 juli 2008 het spreekuur van verzekeringsarts E. Krijt bezocht. Laatstgenoemde heeft het dossier bestudeerd, waaronder de – op verzoek van de gemeente Schiedam in het kader van de Wet Werk en Bijstand opgestelde – rapportages van GZ-psycholoog P. Pellis en verzekeringsarts K. Jhagru van 4 juni
- Daarnaast heeft Krijt een lichamelijk en een psychisch onderzoek verricht. Op basis hiervan heeft hij geconcludeerd dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen. 2.
- Overeenkomstig de conclusie van Krijt heeft het Uwv in zijn besluit van 8 juli 2008 neergelegd dat appellants arbeidongeschiktheid per 7 maart 2006 en 18 juni 2007 niet is toegenomen. 2.
- Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 juli
- Ter ondersteuning van zijn claim toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft appellant nadrukkelijk gewezen op het rapport van GZ-psycholoog Pellis, die daarin tot de conclusie is gekomen dat appellant al enkele jaren kampt met forse psychische klachten op grond waarvan hij niet in staat kan worden geacht tot het verrichten van betaalde arbeid. Ten onrechte is het rapport van Pellis door verzekeringsarts Krijt, die geen specialist is op het gebied van psychische klachten, terzijde geschoven, aldus appellant. 2.
- De vervolgens op 8 december 2008 gehouden hoorzitting is bijgewoond door bezwaarverzekeringsarts S.R. Hofman, die verder kennis heeft genomen van het dossier. Op basis hiervan heeft Hofman de conclusies en bevindingen van verzekeringsarts Krijt in haar rapportage van 3 februari 2009 onderschreven. Ten aanzien van het rapport van GZ-psycholoog Pellis heeft Hofman gesteld dat deze geen objectieve onderzoeksbevindingen bevat, dat er geen diagnose is gesteld en dat dit rapport geen gegevens bevat waaruit zou kunnen blijken dat er sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid dan wel dat er sprake is van toegenomen beperkingen. 2.
- Bij besluit van 9 februari 2009 heeft het Uwv zijn besluit van 8 juli 2008 gehandhaafd. 3.
- In beroep heeft appellant zijn claim toegenomen arbeidsongeschiktheid, onder verwijzing naar de bezwaargronden, opnieuw herhaald. Voorts acht appellant het onbegrijpelijk dat de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Hofman, die zelf geen (nader) medisch onderzoek heeft verricht, enkel is gebaseerd op het standpunt dat GZ-psycholoog Pellis de gestelde psychische beperkingen niet verklaard door het stellen van een diagnose. Appellant stelt dat Pellis, die uit hoofde van zijn beroep gekwalificeerd moet worden geacht onderzoek te kunnen verrichten naar de psychologische gesteldheid van appellant, op basis van eigen onderzoek de door hem geconstateerde forse psychische klachten wel degelijk heeft onderbouwd. 3.
- De rechtbank heeft het beroep evenwel ongegrond verklaard.
- In hoger beroep verwijst appellant naar de gronden die hij in de bezwaarfase en in eerste aanleg heeft aangevoerd. 5.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 5.
- Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat aan het besluit van 9 februari 2009 een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt. In het bijzonder is niet gebleken dat het psychisch onderzoek, zoals dat door verzekeringsarts Krijt is verricht, niet overeenkomstig de in het algemeen in de verzekeringsgeneeskunde geaccepteerde methode, zoals neergelegd in (onder meer) de standaard ‘Onderzoeksmethoden bij psychische stoornissen’ van februari 1997, is uitgevoerd. De Raad kan appellant dan ook niet volgen in zijn stelling dat een verzekeringsarts voor het beoordelen van psychische klachten niet de expertise bezit die hij een psycholoog wel toedicht. 5.
- Met betrekking tot het rapport van GZ-psycholoog Pellis overweegt de Raad het volgende. De Raad onderschrijft het in de rapportages van 3 februari respectievelijk 19 mei 2009 neergelegde standpunt van bezwaarverzekeringsarts Hofman dat het rapport van GZ-psycholoog Pellis geen objectieve onderzoeksbevindingen bevat. Voor de conclusie dat appellant al enkele jaren met forse psychische klachten kampt waardoor hij niet in staat kan worden geachte betaalde arbeid te verrichten, ontbreekt enige overtuigende onderbouwing. De Raad wijst in dit verband voorts op het rapport van verzekeringsarts Jhagru. Onder het kopje ‘Dagelijks functioneren’ staat onder andere beschreven dat de gemiddelde dagindeling een zekere regelmaat vertoont en een vaste structuur kent, er sprake is van normale sociale contacten en activiteiten met bekenden en familie, er de nodige tijd wordt besteed aan hobby’s en er geen sprake is van opvallende inactiviteit of specifieke rustmomenten. Dit dagverhaal bevat aldus evenmin aanknopingspunten voor de (gestelde) forse psychische klachten. 5.
- Gelet op de overwegingen 5.2 en 5.3 dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober
- (get.) C.W.J. Schoor. (get.) M.A. van Amerongen. CVG