09/1314 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 januari 2009, 08/1699 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 20 oktober 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellant is een nader stuk met bijlagen ingediend, waarop het Uwv heeft gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2010, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J. Heek, opvolgend gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.C. Röttjers. I. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant, voorheen werkzaam als fulltime docent Arabisch en Frans bij een basisschool, heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet wegens klachten van vermoeidheid, duizeligheid, hoofdpijn, nek- en rugklachten en oorsuizen per 17 december 2007 ziek gemeld. Ter zake van deze ziekmelding heeft appellant op 12 februari 2008 het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts P.J. Blok. Deze arts heeft geconcludeerd dat er in de gezondheidstoestand van appellant, vergeleken met de bevindingen bij eerdere onderzoeken, geen wezenlijke veranderingen zijn en dat er ook geen reden is om de uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) langer te continueren. 1.
- Bij besluit van 12 februari 2008 heeft het Uwv appellant per 18 februari 2008 hersteld verklaard en (verdere) uitkering van ziekengeld geweigerd. Het tegen het besluit van 12 februari 2008 gemaakte bezwaar van appellant is na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts G.J.A. van Kasteren-van Delden bij besluit van 4 april 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen.
- In hoger beroep heeft appellant -kort samengevat- aangevoerd dat hij door zijn psychische klachten niet in staat moet worden geacht om zijn eigen arbeid als fulltime docent te kunnen verrichten en dat ten onrechte is geconcludeerd dat appellant geen depressieve klachten meer heeft. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant informatie overgelegd van zijn huisarts, behandelend psycholoog en psychiater.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. 4.
- De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Ook de Raad ziet geen reden te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de betrokken verzekeringsartsen, waarbij blijk is gegeven van een voldoende zorgvuldig onderzoek en gegevens uit de behandelende sector afdoende zijn meegewogen. Appellant is zowel door de primaire arts Kok als de bezwaarverzekeringsarts Van Kesteren-van Delden onderzocht. Voor wat betreft de in hoger beroep overgelegde informatie van de huisarts van appellant en zijn behandelaars overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts Van Kasteren-van Delden in haar rapport van 5 maart 2010 afdoende heeft uiteengezet waarom er geen aanleiding is om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. In dit verband stelt de Raad vast dat in de brief van behandelend psycholoog A.J. Ligthart van 25 mei 2007 is aangegeven dat appellant na ontslag op 24 mei 2007 nagenoeg klachtenvrij was en dat er toen geen indicatie meer was voor depressieve klachten. Voorts dat appellant ten tijde van de hersteldmelding per 18 februari 2008 nog niet onder behandeling was bij de psychiater en dat eerst vanaf november 2008 behandeling is aangevangen. De Raad is met de bezwaarverzekeringsarts eens dat appellant wel psychische klachten had maar dat uit de ter beschikking staande gegevens niet kan worden afgeleid dat deze klachten op 18 februari 2008 leiden tot een stoornis waaruit beperkingen voortvloeien ten aanzien van het functioneren in het dagelijkse leven en in arbeid. 4.
- Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het Uwv op goede gronden appellant met ingang van 18 februari 2008 hersteld heeft verklaard en (verdere) uitkering van ziekengeld heeft geweigerd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober
- (get.) C.P.M. van de Kerkhof. (get.) M.A. van Amerongen. TM