← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1300

09/5165 BPW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: de erven van [betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: appellanten), en de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 30 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellanten is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 30 juli 2009, kenmerk BZ 2008-31, JZ/K70/2008 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (hierna: Wbp). Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus

  1. Appellanten zijn, zoals tevoren gemeld, niet verschenen. Verweerster heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN
  2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Mevrouw, (naam betrokkene), geboren in 1922, behoorde tot de deelnemers aan het verzet in de zin van de Wbp. Op grond van psychische klachten was er sprake van een causale invaliditeit van 100% en was betrokkene in het bezit van een buitengewoon pensioen. Zij had vanaf mei 2006 een AWBZ-indicatie voor palliatief terminale zorg thuis en ontving op grond hiervan 24-uurs zorg in de thuissituatie van Thuiszorg Breda. Deze indicatie is in april 2008 geëindigd en gewijzigd in een indicatie voor opname in een verpleeghuis. 1.
  4. Op 19 maart 2008 is namens betrokkene aan verweerster verzocht om een vergoeding van de kosten van 24 uurs zorg per dag, omdat opname in een verpleeghuis op grond van haar causale psychische klachten niet mogelijk zou zijn. Bij besluit van 18 juni 2008 heeft verweerster de gevraagde vergoeding geweigerd. Dit besluit heeft verweerster bij het bestreden besluit gehandhaafd, waartoe is overwogen dat betrokkene niet op grond van haar verzetsinvaliditeit was aangewezen op de gevraagde voorziening en dat deze ook geen contra-indicatie vormde voor plaatsing in een verpleeghuis. Betrokkene is op 4 juli 2009 overleden.
  5. De Raad overweegt als volgt. Tussen partijen is in geschil of de causale psychische klachten van betrokkene een contra-indicatie vormden voor opname in een verpleeghuis. Appellanten beroepen zich voor hun standpunt op verklaringen van de huisarts Van Bennekom en de psychiater Op den Velde. De Raad is met verweerster van oordeel dat deze verklaringen niet overtuigen. Het oordeel van Op den Velde berust blijkens zijn rapport van september 2008 vooral hierop dat betrokkene in januari 2008 enkele dagen in het ziekenhuis opgenomen is geweest wegens een heupfractuur en dat dit voor haar een verschrikking was. Betrokkene zou daar erg angstig en depressief zijn geweest, heeft nauwelijks kunnen slapen en had nachtmerries. De medisch adviseur van verweerster heeft over die opname inlichtingen gevraagd aan de orthopedisch chirurg Joosten, die betrokkene tijdens deze opname heeft behandeld. Blijkens diens informatie van 15 juli 2009 is echter in de verpleegkundige status geen bevestiging gevonden dat betrokkene tijdens de opname last had van angsten en erg van streek was. Wel is genoteerd dat er sprake was van onrust en slecht slapen. Van belang is voorts dat betrokkene in het kader van het onderzoek omtrent de AWBZ-indicatiestelling in maart 2008 bezocht is door de CIZ-arts Van Maanen. Deze heeft na zijn gesprek met betrokkene in zijn rapport genoteerd dat zij 11 dagen in het ziekenhuis heeft gelegen, wat goed ging en dat zij geen problemen had met haar traumatische oorlogsverleden. Overigens blijkt ook uit dit rapport dat in de thuissituatie eveneens sprake is van slecht slapen, waarvoor medicatie wordt gegeven, en van nachtmerries.
  6. De Raad meent op grond van het vorenstaande dat verweerster kan worden gevolgd in haar oordeel dat de toestand van betrokkene tijdens de ziekenhuisopname niet erop wijst dat verpleging en verzorging in een verpleeghuis voor haar op grond van haar psychische klachten niet mogelijk was. Hoewel het heel begrijpelijk is dat betrokkene op haar leeftijd, en na een aantal jaren 24-uurs thuiszorg te hebben ontvangen, problemen had met een opname in een verpleeghuis, zijn er toch onvoldoende medische argumenten voor de stelling dat de verzetsgerelateerde psychische klachten van betrokkene aan zo’n opname in de weg stonden.
  7. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden en dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Gelet op de ongegrondverklaring van het beroep bestaat er geen grond voor toewijzing van de door appellanten gevraagde vergoeding van materiële en immateriële schade.
  8. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september
  9. (get.) A. Beuker-Tilstra. (get.) B. Bekkers. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.