← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1316

08/376 BPW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], Canada (hierna: appellante), en de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 30 september 2010 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 22 november 2007, kenmerk JZ/K60/2007, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (hierna: Wbp), verder: bestreden besluit. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus

  1. Appellante is niet verschenen, zoals tevoren was gemeld. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellante, geboren in 1932, heeft in maart 2004 een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor een buitengewoon invaliditeitspensioen op grond van de Wet in verband met verzetsactiviteiten van haar ouders tijdens de tweede wereldoorlog. Hierop is bij besluit van 24 november 2004 afwijzend beslist, op de grond dat de vader van appellante, wijlen de heer [naam vader], niet heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet als bedoeld in artikel 1 van de Wbp, zodat geen aanleiding werd gezien toepassing te geven aan artikel 3 van het koninklijk besluit van 8 juli 1978, Stb. 422 (verder: Besluit). 1.
  4. Het tegen het besluit van 24 november 2004 gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit gedeeltelijk gegrond verklaard. Op grond van een aanvullend verzetsrapport van de Stichting 1940-1945 van 30 maart 2006 is aangenomen dat zowel de vader als de moeder van appellante hebben behoord tot de deelnemers aan het verzet. Gebleken is dat de ouders van appellante onderdak hebben verleend aan een Joods echtpaar en een Joodse man in 1943/
  5. Verder is voldoende aannemelijk geacht dat appellante seksueel is misbruikt door een onderduiker en is aangenomen dat dit direct samenhing met de verzetsactiviteiten van de ouders van appellante. Verweerster bleef echter van oordeel dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 3 van het Besluit, op de grond dat er bij appellante geen sprake is van een ernstige verstoring van de levensomstandigheden tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 als gevolg van het verzet van derden en het daarvan afgeleide seksueel misbruik door de onderduiker en evenmin van een ernstige verstoring van de levensomstandigheden na de oorlog die als een rode draad door het leven van appellante loopt.
  6. Namens appellant is in beroep in hoofdzaak naar voren gebracht dat zij lijdt aan een post-traumatisch stress syndroom en een angststoornis en dat die klachten zijn verergerd door de afwijzende besluiten.
  7. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
  8. De Raad overweegt als volgt. 4.
  9. Op grond van artikel 3 van het Besluit kan verweerster met personen, die behoren tot de in artikel 2 van het Besluit omschreven categorieën van personen op wie de Wbp van overeenkomstige toepassing is, gelijkstellen degenen van wie de omstandigheden tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 zodanige overeenkomst vertonen met die van personen behorende tot de eerder bedoelde categorieën, dat het niet van toepassing verklaren van het Besluit een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Het gaat hier om een bevoegdheid van discretionaire aard. Dit brengt mee dat de Raad moet nagaan of moet worden gezegd dat verweerster niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten ten aanzien van appellante van de hiervoor omschreven bevoegdheid geen gebruik te maken dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel. 4.
  10. Het bestreden besluit is genomen overeenkomstig het beleid dat verweerster in het kader van de toepassing van artikel 3 van het Besluit hanteert met het oog op die gevallen waarin zich een ernstige verstoring van de levensomstandigheden heeft voorgedaan in verband met het verzet van derden, zich uitend in het tijdens en in aansluiting op de oorlog zichtbaar zijn van symptomen van psychotraumatisering in de ontwikkeling van de persoonlijkheid, respectievelijk psychosociaal dysfunctioneren van de betrokkene nadien. Dit beleid is door de Raad in vaste rechtspraak niet onjuist of onredelijk geoordeeld. 4.
  11. Zoals onder 1.2 is weergegeven heeft verweerster aanvaard dat het seksueel misbruik van appellante door een onderduiker geacht moet worden in verband te staan met het verzet van haar ouders. Zij stelt zich echter op het standpunt dat een ernstige verstoring van de levensomstandigheden ten gevolge daarvan zoals hier bedoeld zich in het geval van appellante niet heeft voorgedaan. Dit standpunt is gebaseerd op advisering door een geneeskundig adviseur, die beschikte over informatie van de behandelende artsen van appellante en die een onderzoek heeft laten uitvoeren door de psychiater N.P.L.G. Verhoeff. Dit advies hield in dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor een duidelijke zogenoemde “rode draad”, een ernstige verstoring van de levensomstan-digheden die al tijdens de oorlog is ontstaan en aansluitend zichtbaar is geworden in een continue lijn van psychosociaal dysfunctioneren op de vier aandachtsgebieden: school- en beroepsopleiding, beroepsleven, relationele aspecten en de psychische ziekte-geschiedenis. Direct na de oorlog is sprake van psychopathologie die te wijten is aan het seksueel misbruik en na het overlijden van de echtgenoot van appellante komen die klachten weer naar boven. In de tussenliggende periode functioneerde appellante op vrijwel alle gebieden goed. 4.
  12. De Raad acht dit standpunt van verweerster, gezien de ter beschikking staande gegevens van medische aard en de gegevens met betrekking tot de levensloop van appellante, overtuigend gemotiveerd. Appellante is gehuwd geweest van 1954 tot 1981 en functioneerde tijdens haar huwelijksleven zonder duidelijke beperkingen in de onder 4.
  13. genoemde vier aandachtsgebieden. Op de lagere school had appellante weliswaar weinig zelfvertrouwen, hetgeen gevolgen had voor haar relatie met andere kinderen en tot leerproblemen leidde. Op de huishoudschool functioneerde zij echter normaal en daarna haalde appellante een diploma als assistent verpleegkundige. Ze werkte als hulp in de huishouding, als verzorgster van geestelijk gehandicapte jongens in een klooster en tijdens haar huwelijk assisteerde ze haar man in zijn bedrijf en deed ze langdurig vrijwilligerswerk. Na het overlijden van haar man werkte ze weer als assistent verpleeg-hulp. Tot het overlijden van haar echtgenoot functioneerde appellant ook goed in de relationele sfeer. Er is sprake van psychische klachten in die sfeer tijdens en vlak na de oorlog en na het overlijden van de echtgenote van appellante. Die klachten zijn weliswaar gerelateerd aan het seksueel misbruik door de onderduiker, maar daarmee is, mede gezien het functioneren op de andere drie aandachtsgebieden, geen sprake van de vereiste “rode draad” als hiervoor omschreven.
  14. Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit naar het oordeel van de Raad de onder 4.1 omschreven toetsing doorstaan.
  15. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september
  16. (get.) A. Beuker-Tilstra. (get.) B. Bekkers. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.