10/1796 WAO en 10/3890 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 februari 2010, 08/2864 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 20 oktober 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 20 april 2010 heeft het Uwv een nieuw besluit op het bezwaar van appellant genomen. Het Uwv heeft bij brief van 29 april 2010 een nadere reactie ingestuurd. Bij brief van 21 juni 2010 heeft de advocaat van appellant de gronden tegen dit besluit van 20 april 2010 aangevoerd onder verwijzing naar hetgeen eerder naar voren is gebracht. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september
- Appellant is in persoon verschenen bijgestaan door zijn advocaat mr. Kramer. Het Uwv heeft zich, na bericht van verhindering, niet laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN 1.
- Bij besluit op bezwaar, gedateerd 19 augustus 2008 (hierna: bestreden besluit 1), heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard dat was gericht tegen de herziening van zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 14 januari 2007 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. 1.
- In de aangevallen uitspraak is - met bepalingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht - het daartegen gerichte beroep gegrond verklaard en bestreden besluit 1 vernietigd. Dit is gebeurd omdat de rechtbank van oordeel is dat de functie chauffeur bijzonder vervoer (Sbc-code 282101) ten onrechte voor appellant geschikt is geacht. In deze functie is sprake van veelvuldig contact met klanten, terwijl uit de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) blijkt dat appellant is aangewezen op werk waarin meestal weinig of geen rechtstreeks contact met klanten is vereist. De rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 zijn in stand gelaten, omdat op basis van de drie resterende functies huishoudelijk medewerker gebouwen (Sbc-code 111334), postbesteller (Sbc-code 282080) en bezorger pakketten (Sbc-code 111230), de mate van arbeidsongeschiktheid per datum in geding naar het oordeel van de rechtbank terecht op 35 tot 45% is bepaald. 1.
- Appellant heeft - kort samengevat - in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 ten onrechte geheel in stand heeft gelaten. Daarbij heeft hij er op gewezen meer beperkingen te hebben dan het Uwv heeft aangenomen en dat in de geduide functies sprake is van overschrijdingen van zijn belastbaarheid. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij volledig arbeidsongeschikt is en dat is gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Voorts heeft appellant verzocht om vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen WAO-uitkering en van de proceskosten in de bezwaarfase en in hoger beroep.
- Bij besluit van 20 april 2010 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant alsnog gegrond verklaard, een vergoeding van de proceskosten in bezwaar van € 644,- toegekend en de WAO-uitkering van appellant per 14 januari 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Dit is gebeurd op basis van het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige P.W.A. Thoen van 19 april
- Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv te kennen gegeven de arbeidskundige onderbouwing van bestreden besluit 1 niet langer te handhaven. Gelet hierop dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd voor zover de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 in stand zijn gelaten.
- De Raad stelt vast dat bestreden besluit 2 wat betreft de mate van arbeidsongeschiktheid niet geheel tegemoet komt aan het beroep van appellant. Ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroep derhalve geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit
- 5.
- Voor een weergave van de relevante feiten en omstandigheden volstaat de Raad hier met een verwijzing naar de aangevallen uitspraak. De Raad onderschrijft het in de rechtsoverwegingen 6 en 7 van die uitspraak weergegeven oordeel van de rechtbank dat het Uwv op basis van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 15 mei 2008 op de daar bedoelde onderdelen voldoende uitvoering heeft gegeven aan de eerdere uitspraak van de rechtbank van 11 februari
- 5.
- Blijkens bestreden besluit 2 en het daaraan ten grondslag gelegde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Thoen van 19 april 2010 is het Uwv thans van mening dat de eerdergenoemde functie van chauffeur bijzonder vervoer vervalt. De bezwaararbeidsdeskundige heeft op basis van de drie resterende functies en met inachtneming van een andere reductiefactor dan in de aangevallen uitspraak is gehanteerd - te weten 0,28 in plaats van 0,56 - het arbeidsongeschiktheidspercentage per 14 januari 2007 berekend op 71,
- 5.
- Met betrekking tot de door appellant aangevoerde gronden dat er sprake is van ernstige psychische klachten, dat hij niet kan werken onder druk en voorts problemen heeft bij het zich concentreren en het verdelen van zijn aandacht overweegt de Raad dat zowel uit de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen als uit de rapporten van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen kan worden afgeleid dat de desbetreffende klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen bij de beoordeling in voldoende mate hebben meegewogen. 5.
- De Raad ziet geen aanleiding hetgeen de bezwaarverzekeringsarts met betrekking tot de medische situatie van appellant heeft vermeld in haar rapporten van 16 april 2007, 14 augustus 2007, 21 januari 2008 en 15 mei 2008 voor onjuist te houden. Appellant is onderzocht door de verzekeringsartsen P.E.W. Geurts en E. van Bottenburg-Kolman tijdens de spreekuren op 7 april 2006, respectievelijk 15 mei 2006 en voorts door de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek in aansluiting op de hoorzitting van 12 maart
- De bezwaarverzekeringsarts beschikte over de informatie van de behandelend psychiater I. Tjia. De Raad is van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer beperkingen heeft dan opgenomen in de FML van 16 april
- De Raad stelt vast dat appellant geen medische informatie heeft overgelegd die doet twijfelen aan de juistheid van bestreden besluit
- Appellant heeft weliswaar, zoals reeds in beroep gedaan, er op gewezen dat hij blijkens het schrijven van psychiater Tjia, verbonden aan Mentrum geestelijke gezondheidszorg Amsterdam, gedateerd 1 juni 2006, een zogeheten GAF-score heeft van 30-40, doch aan dit gegeven kan gelet op de overige medische gegevens niet de conclusie worden verbonden dat appellant ten tijde hier in geding meer beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad wijst in dit verband ook op zijn uitspraak van 30 juli 2010, LJN BN2993, waaruit kan worden afgeleid dat de GAF-score niet primair is bedoeld om arbeidsongeschiktheid te beoordelen. 5.
- Uit het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 19 augustus 2008, voor akkoord ondertekend door de bezwaarverzekeringsarts, blijkt dat de motivering van de passendheid van de hier relevante functies is voorgelegd aan en besproken met de bezwaarverzekeringsarts. Daarbij is tevens aandacht besteed aan de totale belasting van de onderhavige functies en geconcludeerd dat de belasting van deze functies valt binnen de belastbaarheid van appellant. 5.
- Ten aanzien van de stelling van appellant dat hij niet geacht kan worden de drie resterende functies uit te oefenen, omdat hij nog steeds last heeft van ructus overweegt de Raad dat het enkele feit dat in deze functies sprake is van enig contact met klanten of collega’s niet betekent dat hiermee de voor appellant van belang zijnde beperkingen worden overschreden en dat deze functies niet geschikt zouden zijn voor hem. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat met het opnemen in de FML dat appellant is aangewezen op werk waarin meestal weinig of geen rechtstreeks contact is vereist met klanten (item 2.12.1), patiënten (item 2.12.2) of collega’s (item 2.12.4) voldoende rekening is gehouden met de hier van belang zijnde beperking van appellant. Hetgeen appellant in dit verband naar voren heeft gebracht brengt de Raad niet tot een ander oordeel. 5.
- Naar het oordeel van de Raad is in het onderhavige geval geen sprake van een strijd met het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel die tot een vernietiging van het bestreden besluit zou moeten leiden. Het Uwv heeft bij bestreden besluit 2 terecht de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 65 tot 80%. 5.
- Uit de overwegingen 5.1 tot en met 5.7 volgt dat het hoger beroep geen doel treft voor zover dit geacht kan worden te zijn gericht tegen bestreden besluit
- De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep ten bedrage van € 874,- en tevens te bepalen dat het griffierecht in hoger beroep dient te worden terugbetaald.
- Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient een verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb te worden toegewezen indien het bestreden besluit door het Uwv is ingetrokken. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellant toekomende vergoeding, bestaande uit de wettelijke rente over de na te betalen uitkering in verband met het verhogen van arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45% naar 65 tot 80% per 14 januari 2007, dient te berekenen verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB
- III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 in stand zijn gelaten; Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond; Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht ad € 111,- vergoedt; Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 874,-, te betalen aan de griffier van de Raad; Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van schade als hiervoor aangegeven. Deze uitspraak is gedaan door A.A.H. Schifferstein als voorzitter, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober
- (get.) A.A.H. Schifferstein. (get.) T.J. van der Torn. TM