← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1725

08/5264 WWB 09/6084 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op de hoger beroepen van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraken van de rechtbank Haarlem van 21 juli 2008, 07/7226 (hierna: aangevallen uitspraak I), en 29 september 2009, 09/159 (hierna: aangevallen uitspraak II), in de gedingen tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College) Datum uitspraak: 12 oktober 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, bij afzonderlijke beroepschriften hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Fischer. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Bij brief van 9 maart 2007 heeft mr. Fischer zich namens appellant door tussenkomst van de Centrale organisatie voor werk en inkomen (hierna: CWI) tot het College gewend met het doel een aanvraag in te dienen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Daarbij heeft mr. Fischer verzocht rekening te houden met het feit dat appellant analfabeet is en hem behulpzaam te zijn met het invullen van formulieren voor de aanvraag. Voorts heeft mr. Fischer verzocht de beslissing op de aanvraag rechtstreeks naar hem te sturen. 1.
  4. Het CWI heeft bij brief van 15 maart 2007 aan mr. Fischer meegedeeld dat het niet mogelijk is een brief aan het College via het CWI te sturen en verzocht de brief van 9 maart 2007 rechtstreeks naar het College te sturen. Bij brief van dezelfde datum heeft het CWI mr. Fischer onder meer meegedeeld dat het indienen van een aanvraag persoonlijk door de klant moet gebeuren en dat appellant daartoe bij het CWI kan langskomen. 1.
  5. Appellant heeft bij de Raad van bestuur van het CWI bezwaar gemaakt tegen het niet in behandeling nemen dan wel doorzenden van de brief van 9 maart 2007 waarin hij bijstand heeft aangevraagd. Bij beslissing van 29 maart 2007 is dat bezwaar gegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de brieven van 15 maart 2007 van het CWI moeten worden aangemerkt als voor bezwaar vatbare beslissingen in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de brief van 9 maart 2007 is geformuleerd als een aanvraag. Op grond van artikel 28 van de Wet SUWI is het CWI verplicht een belanghebbende in staat te stellen een uitkeringsaanvraag in te dienen en de aanvraag vervolgens over te dragen aan de betrokken uitkeringsinstantie. De conclusie is dat het CWI de aanvraag van 9 maart 2007 ten onrechte niet in ontvangst heeft genomen en dat appellant had moeten worden uitgenodigd voor een intakegesprek, waarin hij zich alsnog persoonlijk zou hebben kunnen melden. De aanvraagformulieren hadden vóór het intakegesprek aan appellant ter beschikking kunnen worden gesteld. 1.
  6. Appellant heeft op 8 mei 2007, voor zover hier van belang, bij het College bezwaar gemaakt tegen de weigering op de aanvraag te beslissen. Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft het College dat bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag dat nog steeds geen intakegesprek met het CWI heeft plaatsgevonden en evenmin een aanvraagformulier is ondertekend en in ontvangst is genomen, zodat er geen sprake is van een volledige aanvraag. Met het CWI is afgesproken dat appellant zich ter uitvoering van de beslissing van 29 maart 2007 kan melden en dat dan direct een afspraak voor een intakegesprek zal worden gemaakt. 1.
  7. Appellant heeft zich op 1 oktober 2007 bij het CWI gemeld. Uitgaande van een aanvraagdatum van 1 oktober 2007 heeft het College bij besluit van 4 februari 2008 die aanvraag afgewezen. Bij besluit van 25 november 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 februari 2008 gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat aan appellant met ingang van 1 oktober 2007 bijstand is toegekend naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10% vanwege het kunnen delen van kosten. 2.
  8. Bij de aangevallen uitspraak I heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 23 oktober 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de brief van mr. Fischer van 9 maart 2007 geen aanvraag is die het CWI in ontvangst had moeten nemen en aan het College had moeten overdragen, omdat deze brief niet door appellant persoonlijk bij een gesprek als bedoeld in artikel 2.3, derde lid, van het Besluit SUWI bij het CWI is ingediend. Nu appellant op 8 mei 2007 nog geen aanvraag had ingediend, was er geen beslistermijn verstreken, zodat het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing niet-ontvankelijk was. 2.
  9. Bij de aangevallen uitspraak II heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 25 november 2008 ongegrond verklaard.
  10. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende. 08/5264 WWB 3.
  11. Voor de in dit geding toepasselijke bepalingen van de WWB, de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) en het Besluit SUWI verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak I. 3.
  12. De Raad stelt vast dat na de beslissing van de Raad van bestuur van het CWI van 29 maart 2007 geen intakegesprek heeft plaatsgevonden waarin de aanvraag van 9 maart 2007 had kunnen worden aangevuld en appellant zich tevens persoonlijk had kunnen melden. Appellant heeft zich pas op 1 oktober 2007 in het bijzijn van een kantoorgenoot van mr. Fischer persoonlijk gemeld bij het CWI. De aanvraag is op 15 november 2007 doorgezonden naar het College. 3.
  13. De Raad is van oordeel dat het verzuim van het CWI om de aanvraag in behandeling te nemen en door te zenden, en daarmee gevolg te geven aan de beslissing van 29 maart 2007, aan het College moet worden toegerekend. Blijkens de memorie van toelichting bij de Wet SUWI moeten aanvragen om bijstand weliswaar bij het CWI worden ingediend en moet deze organisatie zo veel mogelijk de noodzakelijke gegevens verzamelen, maar is de gemeente uiteindelijk verantwoordelijk voor de vaststelling van de juistheid en de volledigheid van de verstrekte gegevens, de (verdere) behandeling van de aanvraag en de besluitvorming ter zake (Kamerstukken II, 2000-2001, 27 588, nr. 3, blz. 81 e.v.). In de memorie van toelichting wordt er tevens op gewezen dat het CWI in de aanvraagprocedure geen beslissingsbevoegdheid heeft en dat alleen tegen besluiten van de gemeente in bezwaar en beroep kan worden gegaan. 3.
  14. Naar het oordeel van de Raad mocht appellant op grond van de beslissing van 29 maart 2007 ervan uitgaan dat zijn aanvraag van 9 maart 2007 in behandeling zou worden genomen en ter besluitvorming zou worden doorgezonden naar het College, en kan hem niet worden tegengeworpen dat hij zich niet (meer) uit eigen beweging bij het CWI heeft gemeld. 3.
  15. Gelet op het voorgaande is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat appellant op 9 maart 2007 een, zij het onvolledige, aanvraag om bijstand heeft gedaan waarop het College op grond van artikel 4:13, tweede lid, van de Awb binnen acht weken een beslissing had moeten nemen. Nu vaststaat dat het College op de aanvraag (binnen deze termijn) geen beslissing heeft genomen en niet om aanvulling van die aanvraag heeft verzocht, stond op grond van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb, in samenhang met de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb, voor appellant bezwaar open tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag. Dat bezwaar heeft verzoeker gemaakt bij brief van 8 mei
  16. De rechtbank heeft dit bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. 3.
  17. Het hoger beroep slaagt. Daarom behoeven de overige gronden van het hoger beroep geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak I komt, voor zover deze is aangevochten, voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het bezwaar van 8 mei 2007 gegrond verklaren en bepalen dat het College alsnog een beslissing moet nemen op de aanvraag van 9 maart
  18. Daarbij gaat het om de aanspraken van appellant op bijstand over de periode van 9 maart 2007 tot 1 oktober 2007, de datum met ingang waarvan aan appellant al bijstand is verleend. Appellant is gehouden aan het College over deze periode voldoende inlichtingen te verstrekken, zodat het College in staat wordt gesteld het recht op bijstand vast te stellen. 09/6084 WWB 3.
  19. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van artikel 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding bij het CWI heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. 3.
  20. Appellant heeft aangevoerd dat hem met ingang van 9 maart 2007 bijstand moet worden verleend omdat hij op die datum een aanvraag om bijstand heeft ingediend. 3.
  21. Uit rechtsoverweging 3.5 volgt dat het College nog een besluit moet nemen op de bijstandsaanvraag van appellant van 9 maart 2007 betreffende zijn aanspraken op bijstand over de periode van 9 maart 2007 tot 1 oktober 2007, de datum met ingang waarvan aan hem al bijstand is toegekend. Ten aanzien van de hier aan de orde zijn de aanvraag en uitgaande van de aanvraagdatum 1 oktober 2007 is niet gesteld of gebleken dat zich in dat verband overigens nog bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan aanleiding bestaat om met ingang van een eerdere datum dan 1 oktober 2007 bijstand te verlenen. 3.
  22. Gelet hierop slaagt het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak II niet en dient die uitspraak te worden bevestigd. Slotoverwegingen
  23. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in het hoger beroep, 08/5264 WWB. Deze kosten worden begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: In 08/5264 WWB: Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het bezwaar van 8 mei 2007 niet-ontvankelijk is verklaard; Verklaart dat bezwaar gegrond; Bepaalt dat het College een besluit neemt op de aanvraag van appellant van 9 maart 2007; Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat het College aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt. In 09/6084 WWB: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R.H.M. Roelofs en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober
  24. (get.) N.J. van Vulpen-Grootjans. (get.) R.L.G. Boot. RB

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.