09/934 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 december 2008, 08/2098 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College) Datum uitspraak: 26 oktober 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. T.A. Vetter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vetter. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Tjen A Kwoei, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. II. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- In verband met de beëindiging van zijn dienstverband heeft appellant zich op 18 juni 2007, op 30 juli 2007 en in september 2007 bij de Centrale organisatie voor werk en inkomen (CWI) gemeld om een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aan te vragen. Tot het indienen van een aanvraag heeft dit niet geleid omdat appellant niet in het bezit was van een geldig legitimatiebewijs. 1.
- Appellant heeft zich op 4 december 2007 wederom bij de CWI gemeld, daarbij een op 3 december 2007 afgegeven legitimatiebewijs getoond en vervolgens een aanvraag om een WW-uitkering ingediend. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft bij besluit van 14 december 2007 geweigerd aan appellant met ingang van 1 september 2007 een WW-uitkering toe te kennen. Vervolgens heeft appellant op 14 december 2007 bij de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een aanvraag om bijstand ingediend. 1.
- Bij besluit van 25 januari 2008 heeft het College aan appellant met ingang van 4 december 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande toegekend. 1.
- Bij besluit van 29 april 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 25 januari 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College, voor zover van belang, zich op het standpunt gesteld dat de ingangsdatum van de bijstand terecht is vastgesteld op 4 december
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 april 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die tot een eerdere ingangsdatum van de bijstand dan 4 december 2007 hadden moeten leiden en daarbij in aanmerking genomen dat appellant tot die datum niet over een geldig legitimatiebewijs beschikte.
- Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Hij bestrijdt de ingangsdatum van de hem verleende bijstand en stelt zich op het standpunt dat deze hem in beginsel met ingang van 18 juni 2007 moet worden verleend.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding bij de CWI (thans: het Uwv) heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. 4.
- De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat van bijzondere omstandigheden die hadden moeten leiden tot verlening van bijstand met ingang van een datum gelegen vóór 4 december 2007 niet is gebleken. Daarbij neemt de Raad tevens in aanmerking dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet al op een eerder moment de beschikking over een geldig legitimatiebewijs had kunnen krijgen. 4.
- Blijkens de gedingstukken hanteert het College het beleid dat, indien de betrokkene op advies van de CWI eerst een WW-uitkering heeft aangevraagd in plaats van bijstand en de WW-aanvraag vervolgens wordt afgewezen maar de betrokkene wel recht op bijstand heeft, bijstand wordt verleend met ingang van de datum van de eerste melding bij de CWI. Ter zitting is namens het College uiteengezet dat deze ingangsdatum niet wordt gehanteerd indien tussen de eerste melding bij de CWI en de indiening van de aanvraag om WW-uitkering een groot tijdsverloop ligt. Het hier weergegeven beleid dient naar het oordeel van de Raad te worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast. 4.
- De Raad onderschrijft het standpunt van het College dat het tijdsverloop van ruim vijf maanden tussen de eerste melding van appellant bij de CWI op 18 juni 2007 en de indiening van de aanvraag om WW-uitkering op 4 december 2007 zodanig groot is dat dit op grond van het hiervoor weergegeven beleid de verlening van bijstand met ingang van 18 juni 2007 niet rechtvaardigt. De Raad stelt dan ook vast dat het College zijn beleid op consistente wijze heeft toegepast. 4.
- Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
- Het vorenstaande betekent tevens dat het verzoek van appellant om het College te veroordelen tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen.
- De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak; Wijst het verzoek om vergoeding van schade af. Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober
- (get.) J.F. Bandringa. (get.) C. de Blaeij. HD