10/644 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 december 2009, 08/1739 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 5 november 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 24 september 2010, waar partijen, zoals aangekondigd, niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante was werkzaam als voltijds administratief medewerkster, toen zij in februari 1993 uitviel wegens psychische klachten. In aansluiting op het volmaken van de wettelijke wachttijd is haar met ingang van 1 februari 1994 een uitkering ingevolge de Wet op arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij de vijfdejaars herbeoordeling (in 2002) is - op basis van een beoordeling van het dossier - de WAO-uitkering ongewijzigd voortgezet. 1.2. De verzekeringsarts M. Verdenius heeft dossieronderzoek verricht en appellante tijdens een spreekuurcontact onderzocht voor een herbeoordeling in het kader van het aangepaste Schattingsbesluit. In het rapport van dit onderzoek van 16 maart 2007, na ontvangst van onder andere informatie van de huisarts, aangevuld bij rapport van 8 juni 2007, zijn de psychische klachten van appellante beschreven. Overwogen wordt dat appellante niet voldoet aan de standaard geen duurzame benutbare mogelijkheden, maar dat zij wel een persoonlijkheidsstoornis heeft die haar kwetsbaar maakt voor depressies. Zij is aangewezen op werk waarin zij met een kleine groep vaste mensen samenwerkt en geen contacten met klanten of patiënten heeft. Het werk dient ook veilig te zijn (niet op hoogte of met conflicten). Tevens mag het werk niet in de nachtelijke uren plaatsvinden. Op haar mag ook geen te grote druk worden gelegd om tot werkhervatting te komen. Er is daarom reden om een urenbeperking toe te kennen en appellante aangewezen te achten op intensieve begeleiding. 1.3. In het kader van de voorgeschreven tweede beoordeling is appellante op 23 juli 2007 onderzocht door verzekeringsarts H.B.G. Borninkhof. Deze verzekeringsarts stelde inconsistenties vast tussen de claim van appellante volledig arbeidongeschikt te zijn en haar activiteitenpatroon, verweer en de onderzoeksbevindingen. Buiten de wisselende anhedonie door de depressie spelen ook passiviteit en vermijding een rol. Activering wordt noodzakelijk geacht. Op energetisch vlak is er een reden voor een urenbeperking. In het rapport van het overleg tussen Verdenius en Borninkhof van 21 augustus 2008 wordt geconcludeerd dat er geen reden is voor een intensieve begeleiding/voortdurend toezicht bij het verrichten van werk. De mogelijkheden en beperkingen van appellante ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 21 augustus 2007. 1.4. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige M. van Straaten in een rapport van 28 november 2007, na functieduiding, het verlies aan verdienvermogen berekend en vastgesteld op 68,42%. 1.5. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 29 november 2007 met ingang van 30 januari 2008 de WAO-uitkering van appellante herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. 2.1. In het kader van het tegen het besluit van 29 november 2007 gemaakte bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts K.T. Tan het dossier bestudeerd en de hoorzitting van 6 maart 2008 bijgewoond. In zijn rapport van 7 maart 2008 is Tan tot een andere conclusie over de belastbaarheid van appellante gekomen dan de primaire verzekeringsartsen. Appellante heeft forse beperkingen in haar sociaal functioneren en er is sprake van forse compensatiemechanismen gericht op het ontwijken van enige vorm van communicatie. Dit is passend bij een sociale fobie. Wegens decompensatierisico is intensieve begeleiding noodzakelijk. In de door Tan aangepaste FML van 7 maart 2008 is neergelegd dat appellante beperkt is ten aanzien van het verdelen van de aandacht. Tevens is zij aangewezen op (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.