← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3634

09/5150 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 augustus 2009, 08/721 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 20 oktober 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.A.H. Blom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2010, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en waar het Uwv met voorafgaande kennisgeving niet is verschenen. II. OVERWEGINGEN

  1. Appellant is in 1995 met psychische klachten uitgevallen voor zijn werk als metaalbewerker/transporteur. Appellant ontving op dat moment een WW-uitkering. Sinds 1996 ontvangt hij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 2.
  2. In het kader van een herbeoordeling is appellant op 9 mei 2007 onderzocht door de verzekeringsarts die een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft opgesteld, waarin de belastbaarheid van appellant wordt weergegeven. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige op 9 juli 2007 rapport uitgebracht, waarna bij besluit van 9 juli 2007 de uitkering per 10 september 2007 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% omdat de arbeidsongeschiktheid is afgenomen. 2.
  3. Nadat de bezwaarverzekeringsarts op 7 december 2007 de FML had aangepast naar aanleiding van een expertiserapport van 29 november 2007 van psychiater W.M.J. Hassing en een beperking had toegevoegd in verband met perspectief gehoorverlies van appellant heeft ook de bezwaararbeidsdeskundige advies uitgebracht. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 juli 2007 is bij besluit van 7 februari 2008 gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid is per 10 september 2007 vastgesteld op 25 tot 35%. 3.
  4. Tegen het besluit van 7 februari 2008, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant beroep bij de rechtbank ingesteld. 3.
  5. De rechtbank heeft het beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard en zij heeft, kort gezegd, de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven.
  6. Appellant kan zich met deze uitspraak niet verenigen. Hij is van mening dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische en lichamelijke beperkingen. In het bijzonder meent appellant dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen op energetische en preventieve gronden. Appellant verzoekt een deskundige te benoemen. Wat betreft de geduide functies wordt in onvoldoende mate rekening gehouden met zijn beperkingen op het punt van werktempo en bovenhands werken.
  7. De Raad overweegt als volgt. 5.
  8. Gelet op de gronden van het hoger beroep gaat het in dit geding om de beantwoording van de vraag of de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 10 september 2007 terecht is vastgesteld op 25 tot 35%. 5.2.
  9. De Raad ziet aanleiding eerst ambtshalve het volgende te overwegen. De rechtbank heeft bij brieven van 23 april 2009 partijen om toestemming verzocht een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellant heeft deze toestemming gegeven bij brief van 25 mei
  10. In deze brief heeft appellant nog een aantal opmerkingen gemaakt over het rapport van 22 april 2009 van bezwaararbeidskundige J.G. Grothe. Bij brief van 2 juni 2009 heeft het Uwv gereageerd op de brief van appellant van 25 mei 2009 met een aanvullend rapport van 27 mei 2009 van bezwaararbeidskundige Grothe. In die brief is tevens de in artikel 8:57 van de Awb bedoelde toestemming gegeven. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. 5.2.
  11. De Raad overweegt, onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie ter zake, dat in geval er nieuwe gedingstukken aan het procesdossier worden toegevoegd, het de rechter niet vrij staat om zonder meer op basis van een eerder gegeven toestemming de zaak zonder zitting af te doen. Het achterwege laten van een zitting is eerst mogelijk indien partijen na kennisname van die nieuwe stukken te kennen hebben gegeven dat de verleende toestemming van kracht blijft. Dit laatste is in het onderhavige geval niet gebeurd. Dit leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak wegens strijd met artikel 8:57 van de Awb niet rechtsgeldig tot stand is gekomen en daarom voor vernietiging in aanmerking komt. 5.2.
  12. Nu de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft ziet de Raad evenwel aanleiding ook een inhoudelijk oordeel te geven. 5.
  13. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenmin als de rechtbank ziet de Raad aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat bezwaarverzekeringsarts De Vink in zijn rapport van 25 oktober 2007/7 december 2007 is ingegaan op de beoordelingen in het verleden van de beperkingen van appellant en de gewijzigde inzichten daaromtrent. Voorts, dat hij voldoende heeft gemotiveerd dat er, wanneer een aantal beperkingen in acht wordt genomen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren, een strikte indicatie voor een urenbeperking ontbreekt. De Raad merkt in dit verband op dat appellant zijn vermoeidheidsklachten ook heeft gemeld bij psychiater Hassing, maar dat deze hierin blijkbaar geen aanleiding zag een urenbeperking te adviseren. Appellant heeft in beroep en hoger beroep geen medische informatie overgelegd ter ondersteuning van zijn standpunt dat zijn beperkingen zijn onderschat. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanknopingspunten ziet voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige. 5.
  14. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen is de Raad niet gebleken dat de drie functies waarop de schatting is gebaseerd de belastbaarheid van appellant te boven gaan. Het gaat blijkens het rapport van 1 maart 2010 van de bezwaararbeidsdeskundige J. den Hartog om de functies perronmedewerker in SBC-code 111220 (magazijnmedewerker), soldering technician in SBC-code 111180 (productiemedewerker industrie) en productiemedewerker cleanroom in SBC-code 271130 (samensteller kunststof- en rubberindustrie). 5.4.
  15. Een hoog handelingstempo komt alleen voor in de functie van productiemedewerker cleanroom. Zoals blijkt uit de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapporten gaat het hier om een genormeerd tempo dat volgens gangbare normen voor een gemiddelde werknemer haalbaar is. In deze functie is, anders dan in de – vervallen – functie van inpakker koekjes, geen sprake van een tempo dat wordt bepaald door de lopende band zonder regelmogelijkheden voor de werknemer. 5.4.
  16. Naar het oordeel van de Raad is in het rapport van 1 maart 2010 voldoende overtuigend uiteengezet dat in de genoemde functies geen sprake is van een te grote belasting ten aanzien van het werken boven schouderhoogte. In de functie van soldering technician komt het in het geheel niet voor en in de functies van perronmedewerker en productiemedewerker cleanroom is het bovenhands werken te doen met één hand/arm, zodat appellant de aangedane rechterhand en -arm daarvoor niet hoeft te gebruiken. 5.
  17. Uit de overwegingen 5.1 tot en met 5.4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.
  18. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende; Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober
  19. (get.) C.P.M. van de Kerkhof. (get.) M.A. van Amerongen. EK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.