08/6270 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant]n, zonder vaste woon- of verblijfplaats (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 september 2008, 07/5543 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen (hierna: College) Datum uitspraak: 26 oktober 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B. Molenaar, advocaat te Barneveld, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.P.J. Botterblom, advocaat te Barneveld. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M.A. Rijnders, werkzaam bij de gemeente Wageningen. II. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant ontving vanaf 12 september 2005 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 28 september 2006 is de bijstand per 12 september 2005 ingetrokken. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 9 maart 2007 gegrond verklaard. Daarbij heeft het College vastgesteld dat appellant vanaf 12 september 2005 recht had op bijstand. Gedurende deze bezwaarprocedure is op 27 juni 2006 de woning van appellant ontruimd en is hij op 20 juli 2006 uitgeschreven uit de Gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Wageningen. In het besluit van 9 maart 2007 heeft het College aangegeven dat binnenkort een nieuw intrekkingsbesluit zou worden genomen. 1.
- Bij besluit van 3 juli 2007 heeft het College de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 27 juni 2006 op de grond dat hij vanaf die datum feitelijk niet meer woonachtig was in de gemeente Wageningen. In dit besluit heeft het College voorts aangekondigd dat de over de periode van 27 juni 2006 tot 1 augustus 2006 betaalde bijstand ten onrechte is verstrekt en met een apart besluit van appellant zal worden teruggevorderd. 1.
- Bij besluit van 23 juli 2007 heeft het College de over de periode van 27 juni 2006 tot en met 31 juli 2006 ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 1.524,
- 1.
- Bij brief van 20 augustus 2007 heeft appellant bezwaar gemaakt. Hij heeft daarin aangegeven dat het schrijven van de gemeente op dat moment buiten zijn bereik was en dat hij wegens ziekte aan bed gebonden was. Als onderwerp van bezwaar heeft appellant vermeld “Bezwaar tegen terugvordering genoten bijstand”. In de tekst van zijn bezwaarschrift heeft appellant aangegeven dat hij bezwaar maakt tegen de voorgenomen terugvordering en op korte termijn de gronden van zijn bezwaar zal meedelen. Hij heeft dit gedaan bij brief van 19 september
- 1.
- Het College heeft vastgesteld dat het bezwaarschrift inhoudelijk ook gericht was tegen de intrekking van de bijstand en heeft het bezwaar opgevat als zijnde gericht tegen zowel het intrekkingsbesluit van 3 juli 2007 als tegen het terugvorderingsbesluit van 23 juli
- Bij besluit van 15 november 2007 heeft het College de bezwaren tegen deze twee besluiten, onder wijziging van de motivering van de grondslag voor de intrekking, ongegrond verklaard. Aan de intrekking van de bijstand heeft het College ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand vanaf 27 juni 2006 niet kan worden vastgesteld, omdat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet schriftelijk mededeling heeft gedaan van zijn verblijfsadres(sen), zodat niet kon worden nagegaan of er na de ontruiming uit zijn woning nog recht op bijstand bestond. Weliswaar heeft appellant bij de hoorzitting in bezwaar van 1 november 2007 aangegeven waar hij had verbleven, maar zonder onderbouwing of bewijsstukken, zodat het recht op bijstand ook toen niet kon worden vastgesteld.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 15 november 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit ontvankelijk en ongegrond is verklaard, en het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit alsnog niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het bezwaarschrift van 20 augustus 2007 blijkens de inhoud is gericht tegen het terugvorderingsbesluit van 23 juli 2007 en dat pas bij het aanvullend bezwaarschrift van 19 september 2007 ook bezwaar is gemaakt tegen het intrekkingsbesluit van 3 juli
- Op dat moment was de termijn voor het maken van bezwaar tegen het intrekkingsbesluit al geëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat niet valt in te zien dat appellant vanwege ziekte niet in staat was om tijdig bezwaar te maken tegen het intrekkingsbesluit, nu hij immers wel in staat was om bezwaar te maken tegen het terugvorderingsbesluit. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van de bedoeling van appellant om tevens tegen het intrekkingsbesluit bezwaar te maken.
- Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit niet-ontvankelijk is verklaard en het terugvorderingsbesluit in stand is gebleven.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Over de ontvankelijkheid van het tegen het intrekkingsbesluit gemaakte bezwaar overweegt de Raad het volgende. 4.1.
- Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat het bezwaarschrift tenminste een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht. Artikel 6:6 van de Awb bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. 4.1.
- Gelet op het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat appellant de besluiten van 3 juli 2007 en 23 juli 2007 wel had ontvangen, maar dat hij wegens verblijf elders in verband met ziekte tijdens het schrijven van zijn bezwaarschrift van 20 augustus 2007 niet over deze besluiten beschikte. Hij heeft dit ook in zijn bezwaarschrift vermeld. Gelet op deze omstandigheid en de omstandigheid dat de formulering van het bezwaar (gericht tegen de “voorgenomen” terugvordering) aansluit bij de formulering van het intrekkingsbesluit (aankondiging van een “voornemen” tot terugvordering), is de Raad van oordeel dat het bezwaar van 20 augustus 2007 geacht moet worden te zijn gericht tegen zowel het intrekkings- als het terugvorderingsbesluit. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden vernietigd. 4.
- Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad thans een inhoudelijk oordeel geven over het besluit van 15 november
- Daarbij is het geschil wat de periode betreft beperkt tot de intrekking en de terugvordering over de periode van 27 juni 2006 tot en met 31 juli
- 4.2.
- Niet is in geschil dat appellant in de in geding zijnde periode niet woonachtig was op het door hem opgegeven adres. Appellant heeft onder meer aangevoerd dat hij na de ontruiming uit zijn woning op 27 juni 2006 telefonisch contact met de gemeente heeft gehad, en dat het hem niet redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat hij melding had moeten maken van zijn feitelijke verblijfadressen, omdat deze binnen de gemeente [naam gemeente] waren. 4.2.
- Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag waar iemand zijn woonadres heeft te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht ter zake juiste en volledige informatie te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. 4.2.
- Appellant is in het toekenningsbesluit van 27 december 2005 gewezen op de in artikel 17 van de WWB opgenomen inlichtingenverplichting, waarbij is vermeld dat hij wijzigingen met behulp van het mutatieformulier dient door te geven. Daarnaast is op 19 januari 2006 in een dienstverleningsgesprek gesproken over de inlichtingenplicht en het mutatieformulier. Op het mutatieformulier is aangegeven dat wijzigingen in de woonsituatie, waaronder verhuizing binnen de gemeente en (tijdelijk) verblijf op een ander adres, binnen een week dienen te worden gemeld. Het had appellant dan ook redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij de wijzigingen in zijn woonsituatie met gebruikmaking van het mutatieformulier aan het College had moeten doorgeven. Nu hij dit niet heeft gedaan en achteraf niet meer verifieerbaar kan worden vastgesteld op welke adressen appellant heeft verbleven, moet worden geconcludeerd dat appellant de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, als gevolg waarvan niet kan worden vastgesteld of hij in de periode van 27 juni 2006 tot en met 31 juli 2006 bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde. Het ligt in een situatie als deze, waar de belanghebbende niet woont op het opgegeven adres, niet op de weg van het College om te onderzoeken of de belanghebbende mogelijk elders in de gemeente woonplaats heeft. 4.2.
- Het College was derhalve bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand over de periode in geding. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van intrekking gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van dat beleid had moeten afwijken. 4.2.
- Met het voorgaande is tevens gegeven dat over de periode van 27 juni 2006 tot en met 31 juli 2006 is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Het College was dan ook bevoegd om de kosten van bijstand over deze periode van appellant terug te vorderen. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van dat beleid had moeten afwijken. Dat het College op grond van artikel 10 van de Maatregelenverordening WWB van de gemeente Wageningen bevoegd was om in verband met het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht een maatregel op te leggen, doet aan de bevoegdheid tot terugvordering niet af. De Raad ziet niet in dat de zorgvuldigheid in de gegeven omstandigheden zou gebieden dat het College had moeten volstaan met het opleggen van een maatregel, nu het College de bevoegdheid heeft tot terugvordering én het opleggen van een maatregel. 4.2.
- Uit het onder 4.2.1 tot en met 4.2.5 overwogene volgt dat het beroep tegen het besluit van 15 november 2007 ongegrond dient te worden verklaard.
- De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten; Verklaart het beroep tegen het besluit van 15 november 2007 ongegrond; Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--; Bepaalt dat het College aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 107,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.N.A. Bootsma en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober
- (get.) A.B.J. van der Ham. (get.) J.M. Tason Avila. HD