10/2575 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 maart 2010, 09/3225 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 17 november 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. R. Haze, advocaat te Rotterdam. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober
- Appellant is verschenen bij gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J. Hut. II. OVERWEGINGEN 1.
- Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende. 1.
- Bij besluit van 19 februari 2009 heeft het Uwv appellant ingaande 23 februari 2009 geen ziekengeld meer toegekend, omdat hij geschikt geacht wordt tot het verrichten van zijn arbeid. Bij besluit van 18 augustus 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
- Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3.
- De Raad overweegt als volgt. 3.
- Niet in geschil is dat appellant zijn bezwaar tegen het besluit van het Uwv van 19 februari 2009 na afloop van de in artikel 75k van de Ziektewet genoemde termijn van twee weken heeft ingediend. Ter beoordeling staat de vraag of deze termijnoverschrijding verschoonbaar was. 3.
- De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd evenals de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in de rapportage van 18 augustus 2009, dat appellant lichamelijk en psychisch in staat was om zijn bezwaar op tijd in te dienen. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank daartoe in rechtsoverweging 2.7 heeft overwogen en maakt deze tot de zijne. De Raad acht daarbij met name van belang dat de bezwaarverzekeringsarts kennis heeft kunnen nemen van de informatie van I-Psy van 5 maart 2009 waardoor er voor de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding bestond appellant op te roepen voor onderzoek. Ook de door appellant in hoger beroep overgelegde medische informatie - waaronder een afschrift van het medisch journaal van de huisarts en de eindevaluatie van 6 mei 2009 van I-Psy - werpt in dit verband geen ander licht op de zaak. De Raad onderschrijft in dezen het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in de rapportage van 18 juni
- 3.
- De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat ook al zou appellant gedurende de (gehele) bezwaartermijn buiten staat zijn geweest om een bezwaarschrift in te dienen, niet valt in te zien waarom niet tijdig door een derde namens hem bezwaar gemaakt kon worden; juist met het oog op dergelijke zaken was immers - volgens appellant - met familie geregeld dat zorg werd gedragen voor de post van appellant. Dat dit niet adequaat is gebeurd, dan wel eerst na het verstrijken van de bezwaartermijn, is een omstandigheid die voor rekening van appellant moet blijven.
- Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november
- (get.) Ch. van Voorst. (get.) M. Mostert. NK