08/5269 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2008, 08/19 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 10 december 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.K.J. Plaisier, advocaat te Rotterdam. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant is werkzaam geweest als isolatie- en plaatmonteur. Op 29 maart 2005 is hem een bedrijfsongeval overkomen tengevolge waarvan hij arbeidsongeschikt is geworden. Bij besluit van 14 augustus 2007 is hem een uitkering krachtens de Wet WIA toegekend. Zijn uitkering is daarbij vastgesteld op € 1.449,86 bruto per maand op basis van een WIA-maandloon van € 2.236,99 bruto. 1.
- Het Uwv heeft het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar bij besluit van 21 november 2007 ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat partijen niet meer van mening verschillen over het gegeven dat het loon aan appellant zwart werd uitbetaald. Het Uwv heeft daarom terecht geconcludeerd dat het feitelijk uitbetaalde (netto)loon gelijk staat aan het brutoloon.
- In hoger beroep heeft appellant gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het nettoloon gelijk is aan het brutoloon. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij salarisstroken en een verklaring van de werkgever overgelegd. 4.
- Tussen partijen is in geschil of appellant per 4 weken € 2.000,= netto of bruto heeft verdiend. 4.
- Appellant heeft in hoger beroep zijn in eerste aanleg opgeworpen stellingen herhaald. De Raad ziet hierin geen reden voor een ander oordeel dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De Raad overweegt daartoe dat de kantonrechter in zijn vonnis van 8 mei 2007 de werkgever heeft veroordeeld tot het betalen van een bedrag van € 2.000,= aan regulier salaris, terwijl niet aannemelijk is geworden dat daarmee iets anders is bedoeld dan € 2.000,= bruto. De door appellant in hoger beroep overgelegde loonstroken leiden niet tot een andere conclusie. Immers, appellant heeft aanvankelijk gesteld dat hij nooit loonstroken heeft ontvangen en heeft bij de rechtbank loonstroken overgelegd waarop heel andere bedragen zijn vermeld. De verklaring van de werkgever van 28 mei 2007 omtrent de hoogte van het loon is, mede bezien in het licht van de door appellant tegen die werkgever gevoerde procedures omtrent (de hoogte van) zijn loon, niet geloofwaardig. Ook anderszins is niet gebleken dat genoemde € 2.000,= een nettobedrag betreft. 4.
- Gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen is er geen reden om uit te gaan van een hoger brutoloon per 4 weken van € 2.000,=, na indexering € 2.236,99 bruto per maand. 4.
- Het hoger beroep slaagt niet. 5.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van B.E.H. Bekkers als griffier. De beslissing is, uitgesproken in het openbaar op 10 december
- (get.) G. van der Wiel. (get.) B.E.H. Bekkers. TM