← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BO7230

08/4374 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 21a van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: appellant) tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 juni 2008, 06/1974 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene) en appellant. Datum uitspraak: 8 december 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. O. Huisman, advocaat te Den Haag, op 15 maart 2010 verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni

  1. Appellant was vertegenwoordigd door A.W.C. Determan. Namens betrokkene verscheen mr. Huisman. Na een tussenuitspraak van de Raad van 14 juli 2010 heeft appellant op 4 augustus 2010 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarin volledig tegemoet is gekomen aan betrokkene. Bij brief van 10 augustus 2010 heeft appellant vervolgens het hoger beroep ingetrokken. Bij brief van 13 september 2010 heeft mr. Huisman namens betrokkene aan de Raad verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten. Appellant heeft de Raad laten weten geen gebruik te maken van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten. II. OVERWEGINGEN
  2. Artikel 21a, eerste lid, eerste volzin, van de Beroepswet bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden veroordeeld in de proceskosten. 2.
  3. De Raad stelt vast dat appellant het hoger beroep heeft ingetrokken en dat namens betrokkene een verzoek is gedaan om veroordeling van appellant in de proceskosten van betrokkene, bestaande uit gemaakte reiskosten voor het bezoek aan de deskundige en kosten voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, en schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. 2.
  4. De Raad constateert verder dat blijkens de aangevallen uitspraak appellant reeds is veroordeeld tot betaling van de in beroep gemaakte proceskosten en het griffierecht. 2.
  5. De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten die betrokkene in hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. De reiskosten die appellant heeft gemaakt voor het onderzoek door de deskundige worden gelet op het bepaalde in het Bpb, vergoed op basis van openbaar vervoer, tweede klasse. De kosten worden begroot op € 22,
  6. 3.
  7. Namens betrokkene is gewezen op de lange duur van de procedure. Betrokkene heeft in dit verband verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 3.
  8. Mede in het licht van artikel 13 van het EVRM acht de Raad in artikel 21a van de Beroepswet geen beletsel gelegen om een verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn in deze procedure inhoudelijk te behandelen. 3.
  9. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) naar voren komt. 3.
  10. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009, is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat op grond van de rechtspraak van het EHRM de behandeling van – onder meer – sociale zekerheidszaken in dit verband bijzondere aandacht vereist. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 3.3 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. 3.
  11. Voorts is van belang dat, zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 24 maart 2009, LJN BH9991, in een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Veiligheid en Justitie). 3.
  12. Dit betekent in deze zaak het volgende. Vanaf de ontvangst door appellant op 16 september 2005 van het bezwaarschrift van betrokkene tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en drie maanden verstreken. De Raad heeft vooralsnog in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van betrokkene aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De Raad stelt vast dat van dit tijdsverloop de behandeling van het bezwaar door appellant vijf maanden heeft geduurd, de eerste behandeling door de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 10 maart 2006 tot de uitspraak op 23 juni 2008 twee jaar en ruim drie maanden en derhalve meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De behandeling bij de Raad is aangevangen met de ontvangst van het hoger beroepschrift op 25 juli 2008 en eindigt met deze uitspraak op 8 december
  13. Deze heeft derhalve twee jaar en vijf maanden in beslag genomen, terwijl de behandeling door rechtbank en Raad tezamen meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Aan het voorgaande kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden. 3.
  14. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent betrokkenes verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij naast appellant de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat het onderzoek onder nummers 10/6462 BESLU en 10/6463 BESLU wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december
  15. (get.) C.P.J. Goorden. (get.) A.L. de Gier. GdJ

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.