← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BO7290

08/5705 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 14 augustus 2008, 08/195 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer (hierna: College) Datum uitspraak: 14 december 2010 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november

  1. Appellante is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door K. Pinkster, werkzaam bij de gemeente Deventer. II. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellante ontvangt bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). 1.
  4. Bij besluit van 22 november 2007 heeft het College het recht op bijstand met ingang van 22 november 2007 opgeschort omdat appellante zonder opgave van redenen niet is verschenen op een afspraak op die datum. 1.
  5. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van dit bezwaarschrift heeft het College bij besluit van 20 december 2007 het bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 22 november 2007 herroepen. Tegen het besluit van 20 december 2007 heeft appellante op 30 januari 2008 beroep ingesteld bij de rechtbank.
  6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat bij appellante geen sprake is van enig procesbelang, aangezien het College met het besluit van 20 december 2007 geheel aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
  7. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hierbij heeft appellante aangevoerd dat haar procesbelang allereerst is gelegen in een oordeel over de gang van zaken die tot het besluit van 22 november 2007 heeft geleid, waarbij de rechtbank zich had moeten uitspreken over de vraag of het College bij zijn besluitvorming de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Voorts is volgens appellante procesbelang gelegen in een oordeel over de manier waarop het College heeft gereageerd op haar verzoeken om ondersteuning bij de arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 10 van de WWB en over de manier waarop het College dergelijke ondersteuning heeft geboden. Tenslotte heeft appellante verzocht om een veroordeling tot vergoeding van schade.
  8. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  9. Het is vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 juni 2009, LJN BJ0878, dat van voldoende procesbelang slechts sprake is indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Van de bestuursrechter kan in een geval waarin de uitkomst van het beroep niet in concreto tot een voor betrokkene gunstiger resultaat kan leiden, geen uitspraak worden gevraagd vanwege de principiële betekenis daarvan voor mogelijke toekomstige gevallen. 4.
  10. De Raad stelt voorop dat het belang van appellante bij het beroep tegen het besluit van 20 december 2007 niet kan zijn gelegen in een oordeel over de manier waarop het College heeft gereageerd op haar verzoeken om ondersteuning bij de arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 10 van de WWB en over de manier waarop het College dergelijke ondersteuning heeft geboden. Het besluit van 22 november 2007, dat bij het besluit van 20 december 2007 is herroepen, heeft immers uitsluitend betrekking op de opschorting van het recht op bijstand van appellante en ziet niet op de aanspraak van appellante op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. 4.
  11. De Raad is voorts van oordeel dat het belang van appellante bij het beroep tegen het besluit van 20 december 2007 evenmin kan zijn gelegen in een oordeel over (de gestelde schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur bij de voorbereiding van) het besluit van 22 november
  12. Bij het besluit van 20 december 2007 heeft het College immers het besluit van 20 november 2007 reeds herroepen. De uitkomst van het beroep kan niet leiden tot een voor appellante gunstiger resultaat. 4.
  13. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen is de Raad van oordeel dat de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 20 december 2007 terecht wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk heeft verklaard. 4.
  14. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Gelet hierop is voor een veroordeling tot schadevergoeding geen plaats. Het verzoek daartoe van appellante dient daarom te worden afgewezen.
  15. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak; Wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december
  16. (get.) J.J.A. Kooijman (get.) J. de Jong BvW

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.