10/2091 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 maart 2010, 09/1332 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 15 december 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november
- Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers. II. OVERWEGINGEN 1.
- Het Uwv heeft bij besluit van 2 oktober 2008 de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%, ingetrokken per 3 december 2008, omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Dit besluit berust op het standpunt van het Uwv dat appellant vanwege chronische aspecifieke lage rugklachten en spanningsklachten als gevolg van uitgebreide psychosociale problematiek beperkt is in zijn belastbaarheid. Uitgaande van de voor hem vastgestelde beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 9 juli 2008 wordt appellant ongeschikt geacht voor de maatgevende arbeid van steigerbouwer. Het verlies aan verdiencapaciteit is op grond van een theoretische schatting berekend op 12,62%. 1.
- Het Uwv heeft bij besluit op bezwaar van 24 maart 2009 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 oktober 2008 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op een rapport van een bezwaarverzekeringsarts.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag.
- In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv zijn uit psychische klachten en rugklachten voortkomende beperkingen niet juist heeft vastgesteld. Appellant heeft ter onderbouwing verwezen naar een door hem in beroep ingezonden verklaring van zijn behandelend psychiater P. van Loon van 8 juli
- Appellant heeft aangevoerd dat zowel de rechtbank als het Uwv niet de juiste waarde hebben gehecht aan deze verklaring, waardoor de ernst van zijn psychische beperkingen is miskend. Appellant acht zich volledig arbeidsongeschikt voor arbeid subsidiair ongeschikt de hem voorgehouden functies te verrichten.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat appellant op de datum in geding medisch meer beperkt was dan door het Uwv en de rechtbank is aangenomen. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant vanwege chronische aspecifieke rugklachten aangewezen is op rugsparende arbeid. Vanwege spanningsklachten en stemmingsklachten heeft de verzekeringsarts beperkingen aangegeven ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. De verzekeringsarts heeft geen argumenten gevonden om een urenbeperking aan te nemen. De bezwaarverzekeringsarts, die tijdens de bezwaarprocedure verkregen informatie van de huisarts heeft betrokken bij haar beoordeling, heeft geen aanleiding gezien om de voor appellant vastgestelde belastbaarheid in de FML van 9 juli 2008 voor onjuist te houden. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts bij rapport van 27 oktober 2009 beargumenteerd waarom de in beroep ingebrachte medische informatie van psychiater Van Loon geen aanleiding geeft de voor appellant vastgestelde belastbaarheid te herzien. Appellant heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd op grond waarvan aan de juistheid van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts getwijfeld moet worden. 4.
- Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. 4.
- Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
- De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december
- (get.) Ch. van Voorst. (get.) T.J. van der Torn. IvR