10/2097 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 april 2010, 09/3088 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 15 december 2010 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van een bezwaarverzekeringsarts ingezonden. Het Uwv heeft bij schrijven van 20 september 2010 een vraag van de Raad beantwoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november
- Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster/helpende, heeft zich op 18 januari 2006 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld met lage rugklachten uitstralend naar de rechterbil en het rechter been. Het Uwv heeft appellante na afloop van de wachttijd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering). 1.
- Bij besluit van 9 maart 2009 heeft het Uwv de WGA-uitkering van appellante ingaande 25 maart 2009 beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. 1.
- Bij besluit van 28 juli 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante gegrond verklaard met betrekking tot de beëindigingsdatum van de WGA-uitkering. Het Uwv heeft bepaald dat de loongerelateerde WGA-uitkering van appellante eindigt per 25 maart 2009 en dat appellante vanaf die datum tot 10 mei 2009 recht heeft op een WGA-vervolguitkering. Het Uwv heeft de WGA-uitkering ingaande 10 mei 2009 beëindigd. Dit besluit berust op rapporten van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag.
- In hoger beroep heeft appellante herhaald dat het Uwv haar belastbaarheid niet juist heeft vastgesteld. Appellante heeft betoogd dat zij psychisch verminderd belastbaar is. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij in behandeling is bij een psycholoog en medicatie (Cymbalta) inneemt. Appellante acht zich vanwege haar beenklachten niet in staat de haar voorgehouden functies te verrichten.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- De Raad heeft, evenals de rechtbank, geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat het Uwv haar psychische belastbaarheid ten tijde in geding onjuist heeft vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts R.R. van den Enden heeft bij rapport van 7 juni 2010 toegelicht dat er geen aanknopingspunten zijn om psychische beperkingen vast te stellen voor appellante omdat de verzekeringsarts bij eigen onderzoek geen tekenen van psychopathologie heeft waargenomen en ook bij eerdere onderzoeken in het kader van de Ziektewet en de einde wachttijd beoordeling in het kader van de Wet WIA geen afwijkingen op psychisch gebied zijn vastgesteld dan wel melding gemaakt is van psychische klachten door appellante. De bezwaarverzekeringsarts heeft verder overwogen dat de behandelend neuroloog in zijn verklaring van 24 maart 2009 evenmin heeft vermeld dat er afwijkingen zijn ten aanzien van de psyche en dat uit diens verklaring volgt dat het medicijn Cymbalta is voorgeschreven als onderdeel van de pijnbestrijding. De Raad onderschrijft deze overwegingen van de bezwaarverzekeringsarts. De Raad is verder niet gebleken dat het Uwv de uit rugklachten voortkomende beperkingen van appellante heeft miskend. Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd waaruit dient te worden afgeleid dat zij zwaarder beperkt is dan is vastgesteld door het Uwv. 4.
- Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. 4.
- Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
- De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december
- (get.) Ch. van Voorst. (get.) T.J. van der Torn. KR