← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BO7516

09/6503 WAJONG Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 oktober 2009, 09/1841 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 15 december 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant is hoger beroep ingesteld, onder meezending van nadere stukken. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Ter reactie op de nadere stukken van appellant heeft het Uwv een rapport van een bezwaarverzekeringsarts ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H.A.T. Vijftigschild, advocaat. Het Uwv is, zonder voorafgaand bericht, niet verschenen. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Bij besluit van 10 juli 2007 heeft het Uwv appellant, geboren op 3 juli 1986, meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). De eerste arbeidsongeschiktheidsdag is daarbij vastgesteld op 1 december
  3. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend, zodat dit onherroepelijk is geworden. 1.
  4. Op 22 oktober 2008 dient appellant een nieuwe aanvraag om een Wajong-uitkering in, welke aanvraag het Uwv bij besluit van 29 oktober 2008 heeft afgewezen op de grond dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een terugkomen van het besluit van 10 juli 2007 rechtvaardigen. 1.
  5. In de bezwaarfase heeft een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv beoordeeld of de aangevoerde argumenten en ingebrachte medische stukken aanleiding gaven om af te wijken van het besluit van 10 juli
  6. Deze arts heeft geconcludeerd dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden op grond waarvan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag verschoven moet worden naar 1 oktober
  7. In het besluit op bezwaar van 19 mei 2009 (hierna: het bestreden besluit) is het besluit van 29 oktober 2008 gehandhaafd. De verschuiving van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag leidt volgens het Uwv niet tot de conclusie dat appellant voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van een Wajong-uitkering.
  8. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, omdat zij geen grond zag te oordelen dat uit de door appellant in bezwaar en beroep overgelegde informatie blijkt van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die een ander licht kunnen werpen op de beantwoording van de vraag of appellant op de dag dat hij 17 jaar werd al arbeidsongeschikt was.
  9. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat er wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden op grond waarvan dient te worden geconcludeerd dat op zijn zeventiende verjaardag al sprake was van - tot arbeidsongeschiktheid leidende - psychische beperkingen. Appellant onderbouwt deze stelling met een brief van psychiater dr. D.J. Vinkers van 5 januari 2010, stukken van Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming en een getuigeverklaring, afgelegd bij de politie. 5.
  10. De Raad oordeelt als volgt. 5.
  11. De Raad overweegt dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. 5.
  12. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag ontkennend. De bezwaarverzekeringsarts heeft gesteld dat er een nieuw feit is aangedragen, namelijk dat appellant op 1 november 2006 is opgenomen in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg. Het gevolg hiervan is dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is verschoven naar 1 oktober
  13. Dit op zichzelf nieuw gebleken feit kan volgens het Uwv echter niet leiden tot een ander besluit, aangezien appellant nog steeds niet voldoet aan de voorwaarden die in de Wajong worden gesteld. De Raad is voorts van oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit de door appellant in beroep en hoger beroep ingebrachte stukken geen relevante aanknopingspunten kunnen worden gevonden die aanleiding vormen om het oorspronkelijke besluit van 10 juli 2007 te herzien. De Raad is, gelet op de door appellant aangevoerde gronden en hetgeen van de zijde van het Uwv daartegen is ingebracht, van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. 5.
  14. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  15. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december
  16. (get.) Ch. van Voorst. (get.) D.E.P.M. Bary. NK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.