← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BO7582

09/357 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 29 december 2008, 08/1560 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 15 december 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M. de Boorder, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november

  1. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Boorder. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante, die laatstelijk werkzaam was als accountmanager werving & selectie voor 24 uur per week, heeft zich vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving op 28 november 2007 ziek gemeld wegens zwelling van de lymfeklieren, keelpijn, bewegingsbeperking aan beide armen, gewrichtsklachten, vermoeidheidsklachten en de aanwezigheid van een knobbeltje in de oksel. Vervolgens is haar een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. 1.
  3. Appellante is op 4 maart 2008 gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts S. Weggelaar, die appellante na eigen onderzoek en met inachtneming van verkregen informatie van de huisarts per 10 maart 2008 geschikt heeft geacht voor haar eigen werk. Op basis hiervan heeft het Uwv bij besluit van 4 maart 2008 aan appellante meegedeeld dat zij vanaf 10 maart 2008 geen recht (meer) heeft op ziekengeld. 1.
  4. Bij besluit van 3 april 2008 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 maart 2008, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts S.N. van Erk-Raes van 1 april 2008, ongegrond verklaard.
  5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts naar de medische beperkingen van appellante voldoende zorgvuldig is verricht en dat daaruit is gebleken dat de door appellante ondervonden klachten niet medisch objectiveerbaar zijn. De rechtbank heeft dan ook geoordeeld dat het Uwv terecht en op goede gronden heeft besloten appellante met ingang van 10 maart 2008 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.
  6. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij naar objectieve maatstaven arbeidsongeschikt is, omdat zij een burn out heeft door haar werk en tal van medische beperkingen ondervindt die haar overspannenheid stimuleren en die op zichzelf ook medische beperkingen opleveren. Volgens appellante is sprake van ziekte of gebrek in de zin van de ZW en had dit moeten worden getoetst aan haar functie-omschrijving.
  7. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende. 4.
  8. Ingevolge artikel 19 van de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Onder ’zijn arbeid’ wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvraag van de arbeidsongeschiktheid feitelijk verrichte werk. Nu appellante laatstelijk werkzaam is geweest als accountmanager werving & selectie en zich heeft ziek gemeld vanuit een werkloosheidssituatie, dient haar laatste functie als maatstaf arbeid te worden aangemerkt. De Raad stelt vast dat het Uwv van de juiste maatstaf arbeid is uitgegaan. 4.
  9. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van de gronden die zij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook naar het oordeel van de Raad hebben de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts in hun rapportages op inzichtelijke wijze onderbouwd dat appellante geschikt wordt geacht voor haar arbeid. Op basis van dossierstudie en eigen onderzoek heeft de bezwaarverzekeringsarts het standpunt van de verzekeringsarts onderschreven dat appellante op de datum in geding geschikt is voor haar arbeid. In haar rapportage van 1 april 2008 heeft de bezwaarverzekeringsarts beschreven dat appellante te maken heeft met vele problemen op het sociaal maatschappelijk vlak en dat zij stap voor stap bezig is met het oplossen van die problemen. Volgens de bezwaarverzekeringsarts heeft appellante wel belemmeringen, maar zijn deze niet het gevolg van ziekte of gebrek maar van sociale problemen, Tijdens haar onderzoek heeft de bezwaarverzekeringsarts ook geen aanwijzingen gevonden voor evidente psychopathologie. Zij heeft derhalve geconcludeerd dat het standpunt van de primaire verzekeringsarts, inhoudende dat appellante per 10 maart 2008 geschikt is voor haar arbeid, gehandhaafd kan blijven. Gelet op de voorhanden medische gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad in zijn rapportages voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder ingenomen standpunt dat appellante vanaf 10 maart 2008 in staat wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. 4.
  10. Naar aanleiding van de in hoger beroep door appellante bij brief van 13 oktober 2010 overgelegde medische gegevens overweegt de Raad dat daaruit niet kan worden afgeleid dat de bezwaarverzekeringsarts de medische situatie van appellante op de datum in geding niet op juiste wijze heeft beoordeeld. In haar rapportage van 22 oktober 2010 heeft bezwaarverzekeringsarts Van Erk-Raes op deze gegevens gereageerd en aangegeven dat de genoemde klachten, met uitzondering van de staaroperaties reeds bekend waren. Wat betreft de staaroperatie merkt zij op dat de eerste operatie pas zeven maanden na datum in geding heeft plaatsgevonden en dat uit de verschillende dossierstukken blijkt dat appellante ondanks deze klachten nog wel kon lezen en autorijden. Over het gezichtsvermogen voor of na de operatie wordt in de overgelegde gegevens niets vermeld. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar reactie voldoende gemotiveerd aangegeven waarom de ingebrachte medische informatie geen aanleiding geeft haar eerder ingenomen standpunt te herzien. De Raad ziet hierin evenmin aanleiding om te voldoen aan het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat de in de in hoger beroep door appellante overgelegde gegevens niet tot een andersluidend oordeel leiden met betrekking tot de geschiktheid van appellante voor haar arbeid op de datum in geding. 4.
  11. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  12. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december
  13. (get.) C.P.J. Goorden. (get.) M.D.F. de Moor. EK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.