← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BO7585

09/3638 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 juni 2009, 09/275 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 15 december 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R. Kuijer, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november

  1. Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Kuijer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M Huijzer. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant is laatstelijk via een uitzendbureau werkzaam geweest als heftruckchauffeur. Hij heeft zich op 6 oktober 2008 wegens nek- en schouderklachten na een ongeval ziek gemeld. 2.
  3. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 7 november 2008 is appellant met ingang van 14 november 2008 hersteld verklaard voor zijn werk. Bij besluit van 7 november 2008 is aan appellant dienovereenkomstig met ingang van 14 november 2008 geen ziekengeld meer toegekend. 2.
  4. Bij besluit van 19 december 2008 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 november 2008 ongegrond verklaard.
  5. Het Uwv heeft na advies van de bezwaarverzekeringsarts op 11 februari 2009 een nieuw besluit genomen (hierna: het bestreden besluit), waarbij het bezwaar tegen het besluit van 7 november 2008 alsnog gegrond is verklaard en is beslist dat appellant met ingang van 28 november 2008 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).
  6. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij in het bijzonder betekenis toegekend aan de bevindingen van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts. 5.
  7. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden voor een ander oordeel. De Raad heeft het volgende overwogen. 5.
  8. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid van de ZW heeft de verzekerde - voor zover hier van belang - bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. 5.
  9. De verzekeringsarts heeft na onderzoek van appellant vastgesteld dat appellant geen afwijkingen heeft aan de nek en rechterschouder. De door appellant geuite klachten zijn volgens de verzekeringsarts niet consistent met de waargenomen bevindingen. De verzekeringarts zag dan ook geen medische reden waarom appellant niet in staat zou zijn het als niet zwaar aan te merken werk van heftruckchauffeur te verrichten. 5.
  10. De bezwaarverzekeringsarts, die appellant op 9 december 2008 op het spreekuur heeft onderzocht, heeft kennis genomen van informatie van de huisarts, waaruit blijkt dat deze bij lichamelijk onderzoek alleen een lichte cervicale bewegingsbeperking heeft vastgesteld. Mede op grond hiervan heeft de bezwaarverzekeringsarts vastgesteld dat appellant nek- en schouderklachten heeft die blijkens herhaaldelijk onderzoek niet tot beperkingen leiden en dat het hier gaat om voornamelijk myogene klachten waarbij een normale belasting mogelijk is. Na in beroep overgelegde informatie van appellants huisarts, waaruit blijkt dat aan appellant op 14 november 2008 voor het eerst het medicijn tramadol is voorgeschreven en dat hij als gevolg daarvan twee weken niet in staat was om auto te rijden, heeft de bezwaarverzekeringsarts uit zorgvuldigheidsoverwegingen aangenomen dat appellant eerst op 28 november 2008 weer in staat was om op een heftruck te rijden. 5.
  11. Naar het oordeel van de Raad geven de door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts uitgebrachte rapporten blijk van een zorgvuldig onderzoek. Hetgeen appellant in hoger beroep onder verwijzing naar het rapport van 7 juli 2009 van de arts L.P.M. Bos heeft aangevoerd, vormt voor de Raad geen reden om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts niet te onderschrijven. De Raad wijst erop dat voornoemde arts in zijn rapport, overeenkomstig de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, geen melding maakt van objectiveerbare afwijkingen die de klachten van appellant kunnen verklaren. Voornoemde arts heeft verder benadrukt dat het “copinggedrag” een grote rol speelt. Het standpunt van deze arts dat appellant als arbeidsongeschikt moet worden beoordeeld lijkt vooral te zijn gebaseerd op het klachtenpatroon van appellant, hetgeen niet impliceert dat appellant op medische gronden, naar objectieve maatstaven gemeten, als arbeidsongeschikt kan worden beschouwd. De Raad ziet in voormeld rapport dan ook onvoldoende aanleiding om een nader medisch onderzoek te doen instellen. 5.
  12. Uit hetgeen is overwogen onder 5.
  13. tot en met 5.5 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  14. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december
  15. (get.) Ch. van Voorst. (get.) D.E.P.M. Bary. JL

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.