← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BO7587

09/3191 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 28 april 2009, 08/7019 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 15 december 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B. Wernik, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november

  1. Namens appellant is verschenen mr. J.A. Veldkamp, advocaat te Utrecht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant was werkzaam als beveiligingsbeambte toen hij voor dit werk op 4 februari 2007 is uitgevallen met hoofdpijn, nek- en halsklachten, duizeligheid, misselijkheid en concentratieproblemen. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant meerdere malen het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts K.J. Swart. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 26 september 2008 geschikt kan worden geacht voor zijn laatst verrichte werk als beveiligingsbeambte. Bij besluit van 18 september 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 26 september 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld. 1.
  3. Bij besluit van 16 oktober 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 september 2008 ongegrond verklaard.
  4. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. 3.
  5. De Raad overweegt als volgt. 3.
  6. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. 3.
  7. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest, dan wel de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Daartoe overweegt de Raad dat de verzekeringsarts Swart appellant op het spreekuur van 18 september 2008 heeft onderzocht, waarbij hij op de hoogte was dat appellant de training bij DBC te Badhoevendorp had afgerond en dat hij niet meer onder behandeling was bij de huisarts en de neuroloog. Ook had Swart, gelet op de rapportage van de arbeidsdeskundige van 7 juli 2008, naar het oordeel van de Raad een voldoende duidelijk beeld van de aard en de zwaarte van de functie van beveiligingsbeambte. De verzekeringsarts Swart heeft met inachtneming van deze belasting geconcludeerd dat, nu uit eigen onderzoek is gebleken dat sprake was van een niet verklaarbaar klachtenpatroon, appellant geschikt is te achten voor de eigen functie van beveiligingsbeambte. 3.
  8. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts Hulst het dossier bestudeerd, appellant op het spreekuur van 15 oktober 2008 onderzocht en bij zijn beoordeling de overgelegde informatie van de neuroloog, de huisarts en de fysiotherapeut betrokken. De bezwaarverzekeringsarts heeft, zoals blijkt uit de rapportage van 16 oktober 2008, bij het eigen onderzoek op fysiek gebied geen afwijkingen gevonden en geen aanwijzingen gevonden van een actuele psychiatrische stoornis. Er valt volgens Hulst dan ook niet in te zien waarom appellant niet in staat zou zijn het eigen werk in de volle omvang te verrichten. Zoals blijkt uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 13 januari 2009, bevat de in beroep overgelegde informatie van de huisarts geen nieuwe nog niet eerder bekende informatie, anders dan dat appellant ondertussen bij een psychiater onder behandeling is. 3.
  9. Ten aanzien van de in hoger beroep overgelegde informatie van Heliomare Arbeidsintegratie is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts bij de rapportage van 28 juli 2009 voldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd dat voor de beoordeling van het arbeidsvermogen van appellant niet zijn klachten van belang zijn, maar of hij ondanks geobjectiveerde beperkingen in staat is zijn arbeid te verrichten. Nu zowel uit eigen onderzoek als uit de informatie van de behandelend sector niet is gebleken van objectiveerbare afwijkingen, is appellant derhalve geschikt te achten voor zijn laatst verrichte werk van beveiligingsbeambte, aldus de bezwaarverzekeringsarts Hulst. 3.
  10. Ter zitting van de Raad is namens appellant betoogd dat uit de op 15 oktober 2010 overgelegde informatie onder meer kan worden afgeleid dat in de functie van beveiligingsbeambte sprake is van een forse psychische belasting en dat de verzekeringsartsen onvoldoende onderzoek hebben gedaan naar de psychische belastbaarheid van appellant. Gelet op het vorenoverwogene, acht de Raad het enkel verwijzen naar een algemene studie die ziet op de “Belastingeisen voor beveiligingspersoneel” ter onderbouwing van het standpunt dat de (bezwaar)verzekeringsarts de psychische belastbaarheid van appellant onvoldoende heeft onderzocht, ontoereikend. De overige (medische) informatie ziet ofwel op een datum na die hier in geding, ofwel is opgesteld in het kader van een civiele letselschadeprocedure. Aan deze informatie kan derhalve niet die betekenis worden toegekend die appellant daaraan gehecht wil zien, hetgeen ook geldt voor de overgelegde – niet op de onderhavige procedure betrekking hebbende – (algemene) informatie.
  11. Hetgeen onder 3.2 tot en met 3.6 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op goede gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 26 september 2008 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
  12. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, inzake de vergoeding van de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december
  13. (get.) C.P.J. Goorden. (get.) M.D.F. de Moor. CVG

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.