← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BO7588

09/340 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 december 2008, 08/4868 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 15 december 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. drs. T. Bissessur, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november

  1. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bissessur. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. van Beek. II. OVERWEGINGEN
  2. Appellant, laatstelijk werkzaam geweest als bouwopruimer, heeft zich op 19 december 2007 ziek gemeld vanwege rug- en buikklachten en tintelingen aan de arm. Vervolgens heeft het Uwv aan appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.
  3. Na zijn ziekmelding is appellant op 12 maart 2008 gezien op het spreekuur van de bedrijfsarts N. Wildenborg, die na eigen onderzoek heeft geconcludeerd dat appellant per 18 maart 2008 volledig geschikt is voor het eigen werk bij zijn werkgever, ondanks resterende beperkingen. Bij besluit van 12 maart 2008 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 18 maart 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn eigen werk. Bij besluit van 11 juni 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 maart 2008, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts R.M.E. Blanker van 11 juni 2008, ongegrond verklaard.
  4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien om het medische onderzoek van de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en voorts dat - ondanks dat de bezwaarverzekeringsarts geen inlichtingen heeft ingewonnen bij de behandelende sector - daaruit voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellant geldende beperkingen te kunnen komen. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook op goede gronden besloten appellant met ingang van 18 maart 2008 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.
  5. In hoger beroep zijn namens appellant de gronden herhaald, die hij in eerste aanleg heeft aangevoerd. Appellant stelt zich andermaal op het standpunt dat het medische onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte geen informatie heeft opgevraagd bij de behandelende sector.
  6. De Raad overweegt als volgt. 5.
  7. In hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan. De Raad volstaat dan ook met een verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Blanker van 11 juni
  8. Deze heeft het dossier van appellant bestudeerd, de hoorzitting van 11 juni 2008 bijgewoond en heeft vervolgens appellant aan een eigen uitgebreid aanvullend medisch onderzoek onderworpen. De bezwaarverzekeringsarts heeft alle klachten van appellant, te weten rugklachten als hoofdklacht, psychische klachten, klachten van de rechterarm/rechterzijde van het lichaam en de suikerziekte, onderzocht. Volgens de bezwaarverzekeringsarts gaat het om aspecifieke rugklachten waarvoor - naar actueel medisch inzicht - geldt dat de rug normaal kan worden gebruikt, inclusief rugbelastende taken. In het werk van appellant is geen sprake van excessief rugbelastende taken. Voor de niet-insuline afhankelijke suikerziekte en de armklachten heeft de bezwaarverzekeringsarts geen beperkingen kunnen vaststellen. Ook ten aanzien van de psychische klachten heeft de bezwaarverzekeringsarts geen beperkingen kunnen vaststellen temeer nu het werk van appellant geen aanzienlijke psychisch belastende arbeid betreft en de aandacht en concentratie van appellant voldoende blijken. 5.
  9. Op basis van de aanwezige gegevens is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat inzichtelijk en deugdelijk is gemotiveerd dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de ZW, omdat de maatstaf arbeid binnen de medische mogelijkheden van appellant ligt. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat op grond daarvan nader overleg met de behandelende sector achterwege heeft kunnen blijven, niet in de laatste plaats nu appellant voorafgaande aan zijn ziekmelding nauwelijks contact had met zijn huisarts.
  10. Uit hetgeen hiervoor onder 5.1 en 5.2 is overwogen, volgt dat de Raad evenals de rechtbank van oordeel is dat het Uwv op goede gronden heeft besloten appellant met ingang van 18 maart 2008 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  11. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december
  12. (get.) C.P.J. Goorden. (get.) M.D.F. de Moor. EK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.