09/2976 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 24 april 2009, 08/306 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) Datum uitspraak: 15 december 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. H.A. van der Kleij, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 3 november
- Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Kleij. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellante was werkzaam als medewerkster filmindustrie toen zij op 7 januari 1999 voor dit werk is uitgevallen wegens psychische klachten. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd die destijds 52 weken bedroeg, heeft het Uwv haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Deze uitkering is na een medische en arbeidskundige herbeoordeling per 23 januari 2007 ingetrokken, omdat appellante wegens geschiktheid voor functies minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellante ontving aansluitend een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Vanuit deze situatie heeft appellante zich per 6 november 2007 ziek gemeld met pijnklachten aan de linker- en rechterhiel, rug, schouder en nek en psychische klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellante het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts P.R.S. Baidjoe. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van 6 november 2007 geschikt kan worden geacht voor de in het kader van de eerdere WAO-beoordeling geduide functies. Bij besluit van 3 december 2007 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij dienovereenkomstig met ingang van 6 november 2007 geen recht heeft op ziekengeld. 1.
- Appellante heeft tegen het besluit van 3 december 2007 een bezwaarschrift ingediend. Op basis van dossierstudie en eigen onderzoek is de bezwaarverzekeringsarts A. van den Broeke-Spieker tot de conclusie gekomen dat er geen medische argumenten waren om van het primaire medische oordeel af te wijken. Bij besluit van 10 januari 2008 is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. 2.
- Tegen het besluit van 10 januari 2008 heeft appellante beroep ingesteld. 2.
- Hangende het beroep heeft het Uwv bij besluit van 20 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit) een gewijzigd besluit op bezwaar genomen waarbij het besluit van 10 januari 2008 is ingetrokken en het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 december 2007 gegrond is verklaard, in zoverre dat aan appellante over de periode 6 november 2007 tot 3 december 2007 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) wordt uitbetaald, nu haar eerst op 3 december 2007 kenbaar is gemaakt dat zij geen recht meer heeft op een ZW-uitkering. De betaling doet echter niet af aan de medische geschiktheid van appellante voor de geduide functies per 6 november 2007, aldus het Uwv.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 januari 2008 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 4.
- De Raad oordeelt als volgt. 4.
- Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtsreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. 4.
- Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO. 4.
- Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest, dan wel dat de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Daartoe overweegt de Raad dat de verzekeringsarts appellante op het spreekuur van 3 december 2007 lichamelijk en psychisch heeft onderzocht, waarbij hij op de hoogte was van de psychische klachten van appellant voortvloeiende uit ADHD en PDD-NOS en de hielspoorklachten. Vervolgens heeft ook de bezwaarverzekeringsarts Van den Broeke-Spieker op het spreekuur van 28 december 2007 appellante lichamelijk en psychisch onderzocht, dossierstudie verricht en had daarbij de beschikking over de informatie van de podotherapeut A. van Huizen van 11 december 2007, waaruit blijkt dat bij appellante sprake is van tendinitis achillespees, plantaire fasciitis. Bij het lichamelijk onderzoek werden geen afwijkingen gevonden behoudens een verhoogde tonus van de nekspieren en drukpijnlijke achillespezen bij een overigens normale pijnloze enkelfunctie. Van den Broeke-Spieker heeft daarop de conclusie van de verzekeringsarts onderschreven, waarbij zij heeft aangegeven dat de hielklachten passen bij de verkregen gegevens van de podotherapeut bij een tendinitisbeeld van de achillespezen. Deze klachten zijn volgens de bezwaarverzekeringsarts niet dermate ernstig dat appellante daarmee de destijds geduide functies – waarbij geen grote lichamelijke belasting van appellante wordt gevergd – niet zou kunnen verrichten. De rapportage van de bezwaarverzekeringsarts S.G. van Wageningen van 8 maart 2010 in aanmerking genomen, ziet de Raad in hetgeen door appellante in hoger beroep is aangevoerd, waarbij brief van de huisarts van 3 oktober 2009 en een aanvullende brief van de podotherapeut Van Huizen is overgelegd, onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan het standpunt van het Uwv. Daarbij merkt de Raad nog op dat de podotherapeut heeft aangegeven dat, gelet op het gegeven dat pijn relatief is, niet kan worden aangegeven of het voor appellante in haar situatie onmogelijk is om te werken. De enkele verwijzing naar de “Standaard inzake hielpijn en voetklachten” van het Nederlandse Huisartsen genootschap, laat het vorenoverwogene onverlet.
- Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv op juiste gronden het ziekengeld van appellante met ingang van 3 december 2007 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december
- (get.) C.P.J. Goorden. (get.) M.D.F. de Moor. CVG