← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BO7613

09/6881 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 november 2009, 07/1962 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 15 december 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E.B. Wits, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wits. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant was werkzaam als productiemedewerker in een chipmachinefabriek via een uitzendbureau toen hij voor dit werk per 15 maart 2007 uitviel met verschillende klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant op 20 juni 2007 het spreekuur van de verzekeringsarts J.C.M. Hehenkamp bezocht. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 1 augustus 2007 geschikt kan worden geacht voor het verrichten van zijn arbeid. Bij besluit van 1 augustus 2007 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 1 augustus 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld. 1.
  3. Bij besluit van 2 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts I.L. Hoornstra, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 augustus 2007 ongegrond verklaard.
  4. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen (waarbij appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder): “De rechtbank stelt voorop dat het toetsingskader in deze zaak zich beperkt tot de vraag of eiser op 1 augustus 2007 geschikt was zijn eigen werk te verrichten. Vastgesteld moet worden dat eiser in deze zaak aanvankelijk is uitgevallen op 15 maart 2007 met een scala aan lichamelijke klachten. Lopende de procedure is het zwaartepunt van eisers klachten met name komen te liggen op psychisch gebied en is ten aanzien van deze klachten de diagnose PDD-nos voor eiser gesteld. Nu de psychische component van eisers klachten in relatie tot de gesteldheid voor zijn werk in de bezwaar- en beroepsprocedure naar het oordeel van de rechtbank onderbelicht is gebleven – dit ligt mede in het gegeven dat toen de diagnose PDD-nos nog niet vaststond – heeft de rechtbank het onderzoek heropend en nadere vragen gesteld aan verweerder. Verweerder heeft de opdracht gekregen te onderzoeken in welke mate sprake is van voor eiser belastende factoren op zijn werk, dit in relatie tot de bij eiser vastgestelde stoornis. Dit heeft geleid tot een nadere rapportage van de bezwaarverzekeringsarts en van de bezwaararbeidsdeskundige, d.d. 10 oktober 2008 en 15 oktober
  5. De bezwaarverzekeringsarts heeft uitgebreid gemotiveerd dat eiser door zijn PDD-nos weliswaar beperkingen heeft, maar daardoor niet geheel naast de arbeidsmarkt staat. Het arbeidsverleden van eiser waarin hij twee langdurige dienstverbanden heeft gehad wijst daar evenmin op. De bezwaararbeidsdeskundige heeft een beschrijving van eisers werkplek en zijn werkzaamheden gegeven, waaruit blijkt dat het om duidelijk gestructureerd werk gaat in een rustige omgeving, waarbij nauwelijks hoeft te worden samengewerkt. De bezwaararbeidsdeskundige heeft vervolgens gemotiveerd waarom de belastbaarheid van eiser in dit werk niet wordt overschreden. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat, met name op grond van deze twee rapportages, geconcludeerd dient te worden dat op de datum in geding niet sprake was van een situatie waarin eiser niet geschikt was te achten voor zijn eigen werk.” 3.
  6. In hoger beroep heeft appellant zich – kort weergegeven – op het standpunt gesteld dat de bezwaarverzekeringsarts zijn beperkingen onvoldoende heeft onderkend en dat de werkomstandigheden zoals beschreven door de bezwaararbeidsdeskundige op essentiële punten niet juist zijn weergegeven. Ter onderbouwing heeft appellant een eigen verklaring van 27 mei 2010 en informatie van de arts P.C. Bakker van 8 oktober 2010 en de medisch adviseur B.C.M. Admiraal van 20 oktober 2010 overgelegd. 4.
  7. De Raad overweegt als volgt. 4.
  8. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. 4.
  9. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. In hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel. Daartoe overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportages van 1 juli 2007 en 21 oktober 2010 genoegzaam heeft gemotiveerd waarom appellant geschikt moet worden geacht voor zijn arbeid in de functie van productiemedewerker in een chipmachinefabriek. De informatie van de arts Bakker is algemeen van aard en zegt niets over de geschiktheid van appellant voor de functie die in geding moet worden beoordeeld. Na het vaststellen van de beperkingen heeft arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden naar de werkomstandigheden van appellant destijds, waarbij duidelijk rekening is gehouden met de beperkingen die voortvloeien uit de autistiforme stoornis waaraan appellant lijdende is. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is appellant beperkt te achten ten aanzien van het werken met frequente deadlines en productiepieken, het hanteren van emoties van derden, het werken met veelvuldige klantcontacten en hulpbehoevenden, directe conflicthantering en is hij ongeschikt voor een leidinggevende functie en werk met sterk wisselende omstandigheden. 4.
  10. De bezwaararbeidsdeskundige is in haar rapportage van 2 juli 2010, naar het oordeel van de Raad, voldoende gemotiveerd ingegaan op de persoonlijke omschrijving van de werkomstandigheden van appellant en heeft naar aanleiding daarvan gesteld dat deze omschrijving moet worden gezien als een persoonlijke beleving die niet wordt gedeeld door R. Bieshaar, manager manufacturing ASM Europe B.V., die op diverse aspecten in de beschrijving van appellant een aanvulling dan wel een correctie heeft gegeven. De beoordeling of de werkbelasting in het eigen werk binnen de arbeidsmogelijkheden van appellant past, is verricht vanuit de functionele mogelijkheden zoals vastgesteld door de bezwaarverzekeringsarts. Deze beoordeling, mede gebaseerd op een werkplekonderzoek van 15 oktober 2008, laat geen ontoelaatbare overschrijdingen zien, aldus de bezwaararbeidsdeskundige. Vorenstaande in aanmerking genomen kan naar het oordeel van de Raad niet dat belang worden gehecht aan de, zoals ook ter zitting namens appellant is aangevoerd, subjectieve (klachten)beleving van appellant die hij daaraan gehecht wil zien, nu de bewaarverzekeringsarts immers de geobjectiveerde autistiforme stoornis heeft onderkend en met inachtneming daarvan gemotiveerd beperkingen heeft aangenomen. De ver na de datum in geding opgestelde rapportage van medisch adviseur Admiraal, laat het vorenoverwogene onverlet, waarbij de Raad met name van belang acht dat Admiraal appellant niet zelf heeft onderzocht.
  11. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv op goede gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 1 augustus 2007 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
  12. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december
  13. (get.) C.P.J. Goorden. (get.) M.D.F. de Moor. CVG

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.