← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BO7614

09/3291 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 mei 2009, 08/3507 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 15 december 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. L.T.G. van Engelen, advocaat te Wageningen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november

  1. Appellante is verschenen, bijgestaan door H. Ozbunar als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.M. Budel. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante, die werkzaam was als inpakster van koekjes via een uitzendbureau voor 40 uur per week, heeft zich op 12 december 2007 ziek gemeld wegens oogklachten en hoofdpijnklachten. Vervolgens is haar een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. 1.
  3. Appellante is op 8 februari 2008 gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts A. Özyurt, die appellante na eigen onderzoek per 11 februari 2008 geschikt heeft geacht voor haar eigen werk. Op basis hiervan heeft het Uwv bij besluit van 8 februari 2008 aan appellante meegedeeld dat zij vanaf 11 februari 2008 geen recht (meer) heeft op ziekengeld. 1.
  4. Bij besluit van 1 juli 2008 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 februari 2008, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts R. Rombout van 26 juni 2008, ongegrond verklaard.
  5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij, gelet op de beschikbare gegevens, waaronder de rapporten van de verzekeringsarts van 8 februari 2008 en van de bezwaarverzekeringsarts van 26 juni 2008, 11 december 2008, 15 december 2008 en 9 januari 2009, van oordeel is dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv in het bestreden besluit neergelegde conclusie dat appellante per 11 februari 2008 in staat moet worden geacht om haar arbeid te verrichten.
  6. In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar hetgeen zij reeds in beroep heeft aangevoerd, gesteld dat haar oogklachten en de daaruit voortkomende visusproblemen in combinatie met hoofdpijnklachten het voor haar onmogelijk maken haar arbeid te verrichten en dat het verzuimrisico te hoog is. In dat verband heeft zij erop gewezen dat de beschikbare informatie van de polikliniek oogheelkunde dateert uit 2002 en dat de huisarts over de oorzaken van de oogklachten geen uitspraak heeft gedaan. Voorts heeft zij aangevoerd dat, ook indien wordt uitgegaan van de juistheid van het standpunt van het Uwv, de rechtbank het Uwv had moeten veroordelen in de proceskosten omdat pas in de fase van beroep een uitvoerige motivering van dat standpunt is gegeven en de motivering in het kader van de bezwaarprocedure ontoereikend is geweest.
  7. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende. 4.
  8. Ingevolge artikel 19 van de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Onder ’zijn arbeid’ wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvraag van de arbeidsongeschiktheid feitelijk verrichte werk. Nu appellante laatstelijk werkzaam is geweest als inpakster van koekjes en zij zich vanuit die situatie heeft ziek gemeld, is deze functie terecht als maatstaf arbeid aangemerkt. 4.
  9. Hetgeen appellante in hoger beroep met betrekking tot haar medische klachten heeft aangevoerd vormt een herhaling van de gronden die zij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook naar het oordeel van de Raad hebben de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts in hun rapportages op inzichtelijke wijze onderbouwd dat appellante geschikt wordt geacht voor haar arbeid. Op basis van dossierstudie en eigen onderzoek heeft de bezwaarverzekeringsarts het standpunt van de verzekeringsarts onderschreven dat appellante op de datum in geding geschikt is voor haar arbeid. In de beroepsfase heeft de bezwaarverzekeringsarts nogmaals een gesprek gehad met appellante, waarbij haar werkzaamheden en de aard van haar klachten zijn besproken. Naar aanleiding daarvan heeft de bezwaarverzekeringsarts informatie ingewonnen bij de huisarts van appellante en bij de polikliniek oogheelkunde. Uit de verkregen informatie van de huisarts blijkt dat appellante last heeft van droge ogen waarvoor zij oogdruppels gebruikt. Daaruit kan volgens de bezwaarverzekeringsarts niet worden afgeleid dat appellante op de datum in geding als arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd. De behandelend oogarts heeft meegedeeld dat appellante op 17 januari 2002 voor het laatst op de polikliniek oogheelkunde is gezien en dat er toen sprake was van een prima visus, geen duidelijk oogheelkundige afwijking en dat er geen oogheelkundige verklaring was voor de klachten van appellante. Ook hierin heeft de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gezien om een ander standpunt in te nemen. Gelet op de voorhanden medische gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad in zijn rapportages voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder ingenomen standpunt dat appellante vanaf 11 februari 2008 in staat wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. Nu appellante haar in hoger beroep herhaalde standpunt, dat haar klachten van dien aard zijn dat zij niet in staat is haar arbeid te verrichten, niet met nadere medische gegevens heeft onderbouwd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen. 4.
  10. Met betrekking tot de door appellante aangevoerde grond dat, indien wordt uitgegaan van de juistheid van het standpunt van het Uwv, het bestreden besluit eerst in de fase van beroep van een toereikende motivering is voorzien en dat de rechtbank het Uwv mitsdien had moeten veroordelen in de proceskosten, overweegt de Raad het volgende. In het verweerschrift heeft het Uwv aangegeven zich te kunnen vinden in dit standpunt van appellante, waarbij de vernietiging van het bestreden besluit door de rechtbank tot instandhouding van de rechtsgevolgen zou moeten leiden. Gelet op de standpunten van partijen en doende wat de rechtbank zou behoren te doen, komt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard dient te worden en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, waarbij wordt bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven.
  11. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 644,--. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven; Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 149,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december
  12. (get.) C.P.J. Goorden. (get.) M.D.F. de Moor. NK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.