← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BO7903

10/425 CSV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [naam B.V. 2], gevestigd te Schaijk (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 december 2009, 08/1870 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) Datum uitspraak: 9 december 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.J.C.M. van der Laak, verbonden aan A&A Tax Lawyers B.V. te Eindhoven, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober

  1. Voor appellante is verschenen mr. Van der Laak, voornoemd, en F.W.J Zwaans, administrateur bij appellante. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Segers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. OVERWEGINGEN
  2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. [naam B.V. 1] is bestuurder en enig aandeelhouder van appellante en van [naam B.V. 3] Ten tijde hier van belang, te weten vanaf 1 juli 2002, bestond het bestuur van [naam B.V. 1] uit [bestuurder A van naam B.V. 1], [bestuurder B van naam B.V. 1] en [bestuurder C van naam B.V. 1] Via de twee laatstgenoemde persoonlijke holdings bezitten [betrokkene B.] (hierna: [betrokkene B.]) en [betrokkene C.] (hierna: [betrokkene C.]) ieder 24% van de aandelen in [naam B.V. 1] en zijn zij als statutair bestuurder bij appellante aangesteld. De overige 52% van de aandelen van [naam B.V. 1] waren ten tijde hier van belang via zijn persoonlijke holding in het bezit van [betrokkene 1]. 1.
  4. In opdracht van het Uwv heeft de Belastingdienst een onderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de door appellante gedane opgave van het door haar werknemers genoten loon over de jaren 2002 tot en met
  5. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 november
  6. Op grond van deze onderzoeksresultaten is het Uwv tot de conclusie gekomen dat [betrokkene B.] en [betrokkene C.] tot appellante in dienstbetrekking staan en dat ten onrechte voor hen geen premie is afgedragen. 1.
  7. Bij besluiten van 7 december 2007 heeft het Uwv om die reden aan appellante correctie- en boetenota’s opgelegd over de premiejaren 2002 tot en met
  8. 1.
  9. Bij besluit van 21 april 2008 heeft het Uwv het hiertegen gerichte bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
  10. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat [betrokkene B.] en [betrokkene C.] voor appellante werkzaam waren in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad heeft de rechtbank ten aanzien van de aanwezigheid van een gezagsverhouding tussen appellante enerzijds en [betrokkene B.] en [betrokkene C.] anderzijds erop gewezen dat, indien een directeur/aandeelhouder van een vennootschap in verband met de statutaire bepalingen en de eigendomsverhouding met betrekking tot de aandelen in de algemene aandeelhoudersvergadering (ava) geen doorslaggevende stem heeft bij het nemen van beslissingen tot benoeming, schorsing en - in het bijzonder - ontslag van directeuren, in beginsel moet worden aangenomen dat hij of zij werkzaam is in een gezagsrelatie tot appellante. Ofschoon niet valt uit te sluiten dat er sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet aannemelijk is dat een dergelijke gezagsuitoefening zal plaatsvinden ten aanzien van een directeur/aandeel-houder, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval onvoldoende materiële aanwijzingen bestaan om een zodanige uitzonderingssituatie aanwezig te achten. De rechtbank heeft niet onaannemelijk geacht dat [betrokkene B.] en [betrokkene C.] in een conflictsituatie feitelijk met enige vorm van gezagsuitoefening door de ava kunnen worden geconfronteerd. Ook de tussen de aandeelhouders opgestelde aandeelhoudersovereenkomst van 2 juni 2001 laat onverlet dat op grond van het bepaalde in artikel 16, derde lid, en artikel 25, eerste en tweede lid, van de desbetreffende statuten, de ava [betrokkene B.] en / of [betrokkene C.] te allen tijde bij meerderheid van stemmen kan ontslaan. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen omdat van de kant van het Uwv geen ondubbelzinnige schriftelijke uitlatingen zijn gedaan die inhouden dat in dit geval van premieheffing zou worden afgezien.
  11. In hoger beroep heeft appellante, evenals bij de gedingvoering in eerste aanleg, betoogd dat zij niet als werkgever kan worden aangemerkt, zodat de correctie- en boetenota’s ten onrechte aan haar zijn opgelegd, dat voorts [betrokkene B.] en [betrokkene C.] in verband met het ontbreken van een gezagsverhouding niet verzekeringsplichtig zijn, en ten slotte opnieuw gewezen op het vertrouwensbeginsel.
  12. De Raad overweegt het volgende. 4.
  13. De Raad is allereerst met het Uwv van oordeel dat de correctie- en boetenota’s terecht bij appellante als inhoudings- en afdrachtplichtige zijn opgelegd. Blijkens de onder de gedingstukken bevindende managementovereenkomsten uit 2001 ontvangen [betrokkene B.] en [betrokkene C.] maandelijks een vergoeding voor de te verrichten werkzaamheden, zijnde 1/12 deel van de vergoeding van € 68.067,03 op jaarbasis. De correctienota’s zijn gebaseerd op de door de Belastingdienst gecontroleerde administratie van appellante waarin feitelijk de betalingen aan [betrokkene B.] en [betrokkene C.] zijn verantwoord. De correctienota’s bedragen niet meer dan het maximum premieloon, hetgeen beduidend lager ligt dan de feitelijke vergoeding. De enkele stelling dat een deel van de werkzaamheden en daarmee mogelijk een deel van de beloning toegerekend zou moeten worden aan [naam B.V. 3], maakt niet dat de nota’s onjuist zijn. Voorts in aanmerking nemend dat uit het besluit van 29 juli 2003 aan [naam B.V. 3] blijkt dat [betrokkene B.] en [betrokkene C.] voornamelijk werkzaam zijn in het [naam B.V. 2], moet naar het oordeel van de Raad worden aangenomen dat het grootste deel van de beloning, in ieder geval tot het maximum premieloon, ziet op werkzaamheden verricht voor appellante. 4.
  14. De Raad is overeenkomstig de door de rechtbank gehanteerde gronden van oordeel dat het Uwv terecht vanaf 1 juli 2002 verzekeringsplicht heeft aangenomen ter zake van de door [betrokkene B.] en [betrokkene C.] als directeuren voor appellante verrichte werkzaamheden. Indien, zoals in onderhavige zaak, een directeur/aandeelhouder van een besloten vennootschap in verband met de statutaire bepalingen en de eigendomsverhoudingen met betrekking tot de aandelen, in de ava geen doorslaggevende invloed heeft op de benoeming, de schorsing en - in het bijzonder - het ontslag van directeuren, moet in beginsel worden aangenomen dat hij werkzaam is in een gezagsrelatie tot de vennootschap. Ofschoon niet valt uit te sluiten dat sprake kan zijn van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan het redelijkerwijs niet aannemelijk is dat een dergelijke gezagsuitoefening zal plaatsvinden ten aanzien van een directeur/aandeelhouder die geen doorslaggevende invloed heeft in de ava, is de Raad in het licht van zijn vaste rechtspraak van oordeel dat er in het onderhavige geval geen materiële aanwijzingen bestaan om een zodanige uitzonderingssituatie aanwezig te achten. 4.
  15. Evenals de rechtbank ziet de Raad in de door appellante genoemde aandeelhoudersovereenkomst van 2 juni 2001, waarin een regeling tot beslechting van geschillen door middel van bindend advies en een stemovereenkomst ondersteund met een boeteclausule is opgenomen, geen aanknopingspunt voor een ander oordeel. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, laat een stemovereenkomst onverlet dat een aandeelhouder zijn stem rechtsgeldig kan uitbrengen in afwijking van een dergelijke overeenkomst, zodat de ava [betrokkene B.] en [betrokkene C.] tegen hun wil rechtsgeldig kan ontslaan. Hetgeen door appellante is aangevoerd, namelijk dat het in afwijking stemmen van de overeenkomst geen recht doet aan de bestaande verhoudingen, kan op zichzelf aan de vennootschapsrechtelijke rechtsgeldigheid van een meerderheidsbesluit van de ava waarbij dat niettemin geschiedt, niet afdoen. 4.
  16. De Raad is voorts, onder verwijzing naar hetgeen daaromtrent door de rechtbank is overwogen, van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. 4.
  17. De beroepsgrond dat de rechtbank ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het door appellante gedane bewijsaanbod tot het horen van getuigen, kan reeds niet slagen, nu dit aanbod niet nader is geconcretiseerd en ook geen opgave van namen van de te horen getuigen bevat. Het stond appellante overigens vrij zelf getuigen mee te brengen ter zitting van de rechtbank. In beroep is appellante hierop gewezen bij brief van 16 september 2009, doch zij heeft om haar moverende redenen hiervan afgezien. 4.
  18. Het voorgaande brengt mee dat het Uwv voor [betrokkene B.] en [betrokkene C.] over de periode 2002 tot en met 2005 terecht tot correctie van de over die periode verschuldigde premie is overgegaan. In aanmerking nemende dat er geen zelfstandige beroepsgronden zijn aangevoerd tegen de boetenota’s, volgt uit het vorenstaande dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
  19. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en C. van Viegen en H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december
  20. (get.) J.F. Bandringa. (get.) R.L.G. Boot. Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.