10/744 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 24 december 2009, 08/1421 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 17 december 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend. Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 30 juli 2010 nadere informatie verschaft. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november
- Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.M.I. Evers. II. OVERWEGINGEN
- Appellant is werkzaam geweest als installateur telefooncentrales. Voor deze werkzaamheden is hij op 13 april 1988 uitgevallen met psychische en schouderklachten. Aan appellant is met ingang van 23 mei 1989 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar de klasse 80 tot 100% toegekend.
- In het kader van een herbeoordeling is appellant op 14 mei 2008 onderzocht door de verzekeringsarts W.G.F. Geerlings. In een rapport van 28 mei 2008 heeft Geerlings de fysieke en psychische klachten van appellant beschreven. Op basis van de bevindingen van het onderzoek concludeerde Geerlings dat appellant beperkingen heeft ten aanzien van het hanteren van gewichten en de locomotore belastbaarheid en ten aanzien van het persoonlijk en het sociaal functioneren. Geerlings stelde een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op. Bij het arbeidskundig onderzoek werd na functieduiding het verlies aan verdienvermogen berekend op 34,64 %. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 21 augustus 2008 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 22 oktober 2008 herzien naar 25 tot 35%.
- In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts J.B. van der Heemst in zijn rapport van 27 november 2008 geconcludeerd dat bij appellant sprake is van een somatoforme pijnstoornis. Van der Heemst heeft in zijn rapportage de in het dossier aanwezige informatie van neuroloog P.A.Th. Carbaat van 11 september 1990, de informatie van orthopaedisch chirurg P. van Biemen van 25 juni 1991, de rapportage van psychiater J.A. Hartzuiker van 27 juli 1990 en de rapportage van psychiater B.A. van Bargen van 13 november 1990 en 19 augustus 1991 betrokken en heeft geconcludeerd dat bij de vaststelling van de functionele mogelijkheden van appellant voldoende rekening is gehouden met diens klachten. Van der Heemst heeft laten meewegen dat appellant enerzijds een kwetsbare persoon is met een beperkte coping strategie en dat hij anderzijds ondanks de ernst van de ervaren klachten en beperkingen geen medicatie gebruikt en nergens onder behandeling is. Hierna verklaarde het Uwv het door appellant tegen het besluit van 21 augustus 2008 gemaakte bezwaar bij besluit van 28 november 2008 ongegrond. 4.
- De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant gericht tegen het besluit van 28 november 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond. 4.
- Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit overwoog de rechtbank - kort gezegd - dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag lag. De rechtbank heeft de in beroep overgelegde, en door bezwaarverzekeringsarts Van der Heemst in de rapportage van 14 januari 2009 beoordeelde, rapportage uit 1993 van psychiater dr. M.H. Cohen Stuart bij de beoordeling betrokken. Bezwaarverzekeringsarts Van der Heemst heeft ten aanzien van de door psychiater Cohen Stuart aangegeven mogelijkheid van een whiplash syndroom overwogen dat de Nederlandse Vereniging van Neurologen in 2007 heeft besloten geen functieverlies meer te kwantificeren bij de diagnose post whiplash syndroom zonder neurologische afwijkingen. Bij appellant zijn, aldus Van der Heemst, nooit neurologische afwijkingen gevonden, zodat de ervaren klachten en beperkingen gezien moeten worden als voortkomend uit een psychische oorzaak en niet uit een neurologische oorzaak. De rechtbank was van oordeel dat het Uwv in de rapportage van psychiater Cohen Stuart terecht geen aanleiding heeft gezien het bestreden besluit te wijzigen. 4.
- De rechtbank zag ten slotte geen aanleiding om de toelichtingen op de medische geschiktheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies voor onjuist te houden.
- In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar bovengenoemde rapportage van psychiater Cohen Stuart en psychiater Von Bargen, - kort gezegd - aangevoerd dat zijn klachten hem niet in staat stellen om te werken. Appellant heeft aangevoerd dat hij geen medicijnen gebruikt en niet meer onder behandeling is omdat hij uitgedokterd is. 6.
- De Raad overweegt als volgt. 6.
- In het hoger beroep van appellant heeft de Raad geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad ziet geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. Daarbij acht de Raad van belang dat uit de neurologische informatie in het dossier, waaronder het schrijven van neuroloog Carbaat van 11 september 1990, blijkt dat bij appellant geen neurologische afwijkingen zijn gevonden. Ten aanzien van de psychiatrische informatie heeft de rechtbank terecht overwogen dat de conclusie van psychiater Cohen Stuart in de rapportage van 13 april 1993 dat appellant sedert 1989 niet in staat was om arbeid te verrichten, niet hoeft te leiden tot het oordeel dat appellant ook in 2008 nog arbeidsongeschikt moet worden geacht. Overigens heeft psychiater Cohen Stuart slechts als hypothese aangegeven dat de oorzaak van de problemen van appellant mogelijk is gelegen in een cervicaal whiplash-syndroom als gevolg van een tweetal traumata in
- Psychiater Cohen Stuart heeft geadviseerd om nader lichamelijk onderzoek te laten verrichten. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat dit onderzoek is verricht. In hoger beroep heeft bezwaarverzekeringsarts P.J. Kruit in de rapportage van 21 mei 2010 terecht gerapporteerd dat psychiater Cohen Stuart appellant zelf niet heeft onderzocht en dat de relevantie van de rapportage die 15 jaar voor de datum in geding is opgesteld, betwijfeld kan worden. De Raad ziet geen aanleiding de conclusies van de bezwaarverzekeringsartsen in twijfel te trekken. De Raad acht daarbij van belang dat appellant ter zitting heeft aangegeven dat hij sinds 1995 niet meer onder behandeling is. Door of namens appellant zijn ten slotte - ook in hoger beroep - geen recente medische of andere gegevens met betrekking tot zijn klachten overgelegd, waaruit afgeleid kan worden dat meer beperkingen voor hem dienen te gelden. 6.
- Tevens is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een voldoende arbeidskundige grondslag berust. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, geen grond om te oordelen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (sbc-code 267050), elektronica monteur (nieuwbouw en onderhoud) (sbc-code 267040) en productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (sbc-code 111180) voor appellant in medisch opzicht niet geschikt te achten zijn. In dit verband merkt de Raad op dat in de rapportage van arbeidsdeskundige W. Boering van 10 juli 2008, gelezen in samenhang met de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige M. Kokenberg-van Loon van 27 juli 2010, de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid in de geduide functies zijn voorzien van een voldoende inzichtelijke en toetsbare motivering. 6.
- Uit de overwegingen 6.2 en 6.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december
- (get.) C.W.J. Schoor. (get.) T.J. van der Torn. IvR