09/3992 AOR Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), en de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 9 december 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster, gedateerd 23 juni 2009, kenmerk 4813/CAOR, zoals nader aangevuld bij besluit van 8 juli 2009, met hetzelfde kenmerk, ter uitvoering van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR), verder: het bestreden besluit. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober
- Appellant is verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.L.M.J. Gielen, werkzaam bij de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling, en dr. G.M. van der Molen, medisch adviseur van verweerster. II. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
- Ten aanzien van appellant, geboren in 1942 in het voormalige Nederlands-Indië, is aanvaard dat hij psychische klachten heeft als gevolg van internering tijdens de Japanse bezetting en gebeurtenissen tijdens de Bersiap-periode, die als oorlogsletsel in de zin van de AOR moeten worden aangemerkt. Appellant is ook erkend als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers (Wuv). 1.
- In september 2008 heeft appellant bij verweerster een aanvraag ingediend voor vergoeding van de kosten van behandeling van zijn gebit. Hierbij heeft hij verwezen naar de slechte voedingsomstandigheden tijdens de oorlogsjaren en daarna. Op deze aanvraag is afwijzend beslist bij besluit van 26 november 2008, na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit.
- Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt. 2.
- Het in deze zaak ingenomen medisch standpunt van verweerster is vooral ontleend aan een tweetal adviezen van medisch adviseurs van verweerster. In die adviezen is aangegeven dat wordt aangesloten bij de medische grondslag van de afwijzing van vergoeding van tandartskosten in het kader van de Wuv in 1997, waarbij is aangenomen dat de gebitsklachten van appellant pas op latere leeftijd zijn ontstaan, nu hij pas vanaf ongeveer 1990 een tandarts bezoekt. 2.
- In de voorhanden zijnde gegevens van medische aard, waaronder ook gegevens met betrekking tot een soortgelijke aanvraag van appellant in het kader van de Wuv, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om dit standpunt van verweerster onjuist te achten. Uit niets blijkt dat zich bij appellant vanaf de oorlogsjaren of de jaren daarna op jeugdige leeftijd een zogenoemde rode draad van gebitsklachten heeft voorgedaan. Over de periode vóór 1990 zijn geen objectieve gegevens beschikbaar. Verweerster heeft bij het bestreden besluit dan ook terecht gehandhaafd de weigering de verzochte voorziening te vergoeden. De Raad merkt nog wel op dat hierbij niet van belang is of de gebits-klachten in causaal verband staan met de psychische klachten van appellant, zoals in het bestreden besluit is vermeld.
- Gezien het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
- De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december
- (get.) A. Beuker-Tilstra. ` (get.) C. de Blaeij. HD