10/1918 WW 10/1919 WW 10/1994 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 17 februari 2010, 09/296, 09/297 en 09/758 (hierna: aangevallen uitspraak), in de gedingen tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 15 december 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2010, waar appellant met voorafgaande kennisgeving niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets. II. OVERWEGINGEN 1.
- Het dienstverband van appellant als productiemedewerker bij Nedcar is met ingang van 30 september 2002 geëindigd, waarna hem met ingang van 2 december 2002 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) is toegekend. 1.
- Bij besluit van 27 oktober 2008 heeft het Uwv appellant met ingang van 23 oktober 2008 een maatregel opgelegd in de vorm van een verlaging van de uitkering met 25% gedurende 4 maanden, op de grond dat appellant in de periode van 7 juli 2008 tot en met 23 oktober 2008 te weinig heeft gesolliciteerd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 5 februari 2009 ongegrond verklaard. 1.
- Bij besluit van 19 november 2008 heeft het Uwv appellant met ingang van 18 november 2008 een maatregel opgelegd in de vorm van een verlaging van de uitkering met 37,50% voor 4 maanden, omdat appellant wederom onvoldoende heeft gesolliciteerd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 9 februari 2009 ongegrond verklaard. 1.
- Bij besluit van 26 januari 2009 heeft het Uwv appellant met ingang van 19 januari 2009 nogmaals een maatregel opgelegd in de vorm van een verlaging van de uitkering met 37,50% voor 4 maanden, wederom omdat appellant onvoldoende heeft gesolliciteerd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 8 mei 2009 ongegrond verklaard.
- De door appellant tegen de besluiten van 5 februari 2009, 9 februari 2009 en 8 mei 2009 ingestelde beroepen zijn door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
- Appellant heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd. Gezien zijn leeftijd, zijn medische beperkingen en de arbeidsmarktsituatie zijn er volgens appellant geen passende functies voor hem geweest en naar zijn mening kan hem dan ook niet verweten worden dat hij in onvoldoende mate heeft gesolliciteerd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, van de WW, voor zover van belang, is de werknemer verplicht te voldoen aan de verplichtingen die zijn opgenomen in de re-integratievisie, bedoeld in artikel 30a, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsinstantie werk en inkomen. 4.
- Ingevolge artikel 27, derde lid, van de WW, weigert het Uwv de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk, indien de werknemer niet voldoet aan de in de re-integratievisie opgenomen verplichting en op grond van het zesde lid wordt de maatregel als bedoeld in het derde lid afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging kan worden verweten. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Ter uitvoering van het tiende lid van dit artikel zijn nadere regels vastgesteld in het Maatregelenbesluit sociale zekerheidswetten (hierna: Maatregelenbesluit). 4.
- Bij besluiten van 3 juli 2008 en 24 juli 2008 zijn appellant re-integratievisies toegezonden, die in overleg met zijn re-integratiecoach tot stand zijn gekomen. In de bij besluit van 3 juli 2008 toegezonden re-integratievisie is onder meer vastgelegd dat appellant vanaf 3 juli 2008 drie keer per week gaat solliciteren en daarvan een overzicht zal inleveren bij het Uwv. In de bij besluit van 24 juli 2008 toegezonden re-integratievisie is nogmaals vastgelegd dat appellant drie keer per week solliciteert en daarvan wekelijks een overzicht maakt. Van de mogelijkheid bezwaar te maken tegen de in deze visies neergelegde verplichtingen heeft appellant geen gebruik gemaakt zodat deze verplichtingen in rechte zijn komen vast te staan. Bij de beoordeling van de vraag of appellant voldoende sollicitatieactiviteiten heeft verricht, gaat de Raad dan ook uit van de in deze visies opgenomen verplichtingen. 4.
- Naar het oordeel van de Raad blijkt uit de gedingstukken in voldoende mate dat appellant, ondanks herhaalde aansporingen van zijn re-integratiecoach, in de in geding zijnde periode niet drie keer per week heeft gesolliciteerd. Dit betekent dat hij niet heeft voldaan aan de verplichting als genoemd in 4.
- 4.
- De Raad volgt appellant niet in zijn opvatting dat hem geen verwijt kan worden gemaakt dat hij niet heeft voldaan aan de in de re-integratievisie opgenomen verplichtingen. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat er in de in geding zijnde periode geen geschikte vacatures voor hem zijn geweest. Appellant had open sollicitaties kunnen verrichten hetgeen hij, zoals uit de gedingstukken blijkt, evenmin in voldoende mate heeft gedaan. In 2007 heeft naar aanleiding van een aanvraag van appellant een beoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen plaatsgevonden waarbij functies zijn geselecteerd die voor appellant geschikt zijn bevonden, mede gelet op zijn medische beperkingen. De medische situatie van appellant, diens leeftijd en de situatie op de arbeidsmarkt kunnen de kans om opnieuw aan het werk te komen nadelig beïnvloeden, maar daarin kan geen grond zijn gelegen om in strijd met de gemaakte afspraken geen of onvoldoende sollicitatieactiviteiten te verrichten. 4.
- Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat het Uwv de uitkering van appellant terecht heeft verlaagd. Nu voorts de hoogte en de duur van de opgelegde maatregelen in overeenstemming zijn met het bepaalde in de artikel 2, eerste lid, onder c, en artikel 8 van het Maatregelenbesluit heeft de rechtbank de bestreden besluiten terecht in stand gelaten, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december
- (get.) G.A.J. van den Hurk. (get.) M. Mostert. GdJ