09/4733 ZW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2009, 08/1204 (hierna: aangevallen uitspraak) in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 22 december 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft het Uwv nadere informatie verschaft bij brief van 26 april
- Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september
- Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Ooms. II. OVERWEGINGEN
- De Raad neemt als vaststaand aan de feiten waarvan hij in zijn uitspraak van 25 april 2007 (LJN BA3862) is uitgegaan. De Raad heeft in die uitspraak, voor zover relevant, overwogen dat het Uwv eraan voorbij is gegaan dat appellant tot 1 mei 2001 in dienstbetrekking tot zijn werkgever heeft gestaan en uit hoofde daarvan, gelet op artikel 3 van de Ziektewet (ZW), werknemer was in de zin van de ZW en uit dien hoofde ingevolge artikel 20 van die wet verzekerd was. Voorts heeft de Raad overwogen dat het feit dat appellant wellicht na ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen aanspraak kon maken op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet aan die verzekering niet afdoet, evenmin als het feit dat appellant in die periode inkomsten ontleende aan zijn activiteiten als zelfstandige. Dit heeft ertoe geleid dat de Raad het besluit van het Uwv van 3 augustus 2004 heeft vernietigd omdat het Uwv op onjuiste gronden heeft geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een ZW-uitkering en dat is bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Ter voorlichting van appellant heeft de Raad overwogen dat dit niet zonder meer betekent dat het Uwv gehouden is aan appellant een uitkering te verstrekken, omdat hij inkomsten uit zijn werkzaamheden als zelfstandige heeft genoten welke inkomsten ingevolge artikel 31 van de ZW van invloed zijn op de ontvangst van ziekengeld.
- Bij besluit van 14 maart 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv uitvoering gegeven aan de uitspraak van de Raad van 25 april
- Daarbij is het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en heeft het Uwv geweigerd op en na 1 mei 2001 aan appellant ziekengeld uit te betalen. In dat kader heeft het Uwv aangegeven dat het dienstverband van appellant met [naam werkgever] per 1 mei 2001 is beëindigd. Appellant is op en na 1 mei 2001 arbeidsongeschikt gebleven voor het werk bij [naam werkgever] en is verzekerd voor de ZW. Per 18 oktober 2000 was appellant arbeidsongeschikt voor het werk bij [naam werkgever]. Het Uwv verwijst naar artikel 31 van de ZW en gaat er blijkens het bestreden besluit van uit dat appellant voordat hij arbeidsongeschikt werd geen inkomsten heeft gehad als zelfstandige en dat derhalve de uitbetaling van ziekengeld alleen plaatsvindt wanneer het dagloon de inkomsten als zelfstandige overtreft. Aangezien dit niet het geval is, wordt geen ziekengeld uitgekeerd.
- In de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de overgelegde stukken genoegzaam blijkt dat appellant reeds vóór 18 oktober 2000 inkomsten genoot uit werkzaamheden als zelfstandige. Gelet op het feit dat vanaf week 41 is gedeclareerd, gaat de rechtbank ervan uit dat appellant vanaf 9 oktober 2000 inkomsten heeft uit zijn werkzaamheden als zelfstandige. Op grond van het bepaalde in artikel 31, derde lid, van de ZW worden deze inkomsten, aldus de rechtbank, buiten beschouwing gelaten. De rechtbank heeft in dat verband die inkomsten van appellant bepaald naar het gemiddeld inkomen als zelfstandige over de 26 weken onmiddellijk voorafgaande aan 18 oktober
- Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank en heeft daartoe in hoger beroep aangevoerd dat het besluit van het Uwv ten onrechte is gebaseerd op een beleidsregel ter uitvoering van de WW, waarbij men de inkomsten uit eigen bedrijf betrekt 26 weken voorafgaande aan de eerste ziektedag. Appellant betoogt dat deze toepassing leidt tot willekeur. Verder bepleit appellant dat indien toepassing van de beleidsregel van de WW zou worden toegestaan de Tijdelijke regeling vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW van toepassing is, welke tot een afwijkende berekening leidt van de ‘26-weken regel’ die het Uwv heeft toegepast. 5.
- De Raad stelt vast dat in geschil is of de rechtbank terecht met toepassing van artikel 31, derde lid, van de ZW de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten, door de inkomsten die appellant na 18 oktober 2000 heeft verworven met zijn arbeid als zelfstandige in mindering te laten komen op de ZW-uitkering van appellant. 5.
- Op grond van artikel 31, tweede lid, van de ZW ontvangt de verzekerde aan ziekengeld niet meer dan het bedrag waarmede zijn dagloon het bedrag van het door hem ontvangen loon overtreft. Op grond van artikel 31, derde lid, van de ZW, voor zover van belang, worden voor de toepassing van het tweede lid onder loon mede verstaan inkomsten uit arbeid anders dan in dienstbetrekking, met dien verstande, dat deze inkomsten buiten aanmerking blijven, voor zover deze reeds ook werden verworven onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte. 5.
- Appellant was sedert 1 oktober 1999 als commercieel directeur werkzaam in loondienst van [naam werkgever]. Uit de eerdere uitspraak van de Raad van 25 april 2007 blijkt dat appellant in de maand oktober 2000 niet meer aanwezig was op het werk bij [naam werkgever]. De Raad leidt uit de beschikbare gegevens af dat appellant toen ook geen arbeid meer verrichtte voor [naam werkgever]. Ter zitting van de Raad op 29 september 2010 heeft appellant desgevraagd verklaard dat reeds in de maand september 2000 een vervanger voor hem op het werk bij [naam werkgever] aanwezig en in functie was en dat hijzelf toen feitelijk geen werkzaamheden meer verrichtte als commercieel directeur. In zijn aan de rechtbank gerichte brief van 8 oktober 2008 heeft appellant in dit verband het volgende verklaard: “In de zomer van 2000 is eiser begonnen met het geven van seminars over het thema ‘inkoop’ bij GAK Nederland. Door vervelende omstandigheden bij zijn toenmalige werkgever, werd vanaf 11 september door die werkgever geen feitelijk gebruik meer gemaakt van zijn diensten. Op 6 oktober heeft eiser vervolgens zijn bedrijf ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (...), teneinde op commerciële basis zijn activiteiten bij GAK Nederland te kunnen ontplooien. Deze activiteiten werden in eerste instantie verricht via een ander bedrijf: ‘BB Consult’ (…). Dit bedrijf werd dan ook gefactureerd (…). In december 2000 werd een rechtstreeks contract gesloten tussen eiser en GAK Nederland B.V.” 5.
- Naar het oordeel van de Raad brengt een redelijke uitleg van artikel 31, derde lid, van de ZW met zich dat een geval als dat van appellant niet valt onder de termen van die bepaling om van vermindering van de inkomsten uit de arbeid als zelfstandige op het ziekengeld uitgezonderd te zijn. Van een tegelijkertijd, naast elkaar verrichten van twee vormen van arbeid was ten tijde hier in geding, te weten 18 oktober 2000, feitelijk geen sprake. Door het gegeven dat appellant sedert september 2000 niet meer belast was met zijn werkzaamheden als directeur bij [naam werkgever], werd het voor hem mogelijk zijn arbeid als zelfstandige begin oktober 2000 te beginnen. Daarbij komt dat appellant destijds ook geen reëel perspectief had in zijn functie als commercieel directeur bij [naam werkgever] terug te kunnen keren. Het feit dat de arbeidsovereenkomst van appellant met [naam werkgever] eerst per 1 mei 2001 door de kantonrechter is ontbonden, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Evenmin het gegeven dat appellant kort vóór 18 oktober 2000, te weten vanaf maandag 9 oktober 2000 (week 41) al een begin heeft gemaakt met het verwerven van inkomsten als zelfstandige. 5.
- Het hoger beroep van appellant treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient derhalve te worden bevestigd zij het onder een wijziging van de gronden. 5.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december
- (get.) C.P.J. Goorden. (get.) M. Mostert. EK