09/6513 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:73a en artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 oktober 2009, 08/5326 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) Datum uitspraak: 22 december 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft H.J.A. Aerts, werkzaam bij Delescen Advocaten te Roermond, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft op 28 mei 2010 een nieuw primair besluit genomen. Bij brief van 21 oktober 2010 heeft Aerts namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten, betaling van het griffierecht en de wettelijke rente. Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten. II. OVERWEGINGEN Artikel 8:73a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 van de Awb kan worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet zijn deze bepalingen van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Uit het samenstel van brieven van het Uwv van 2 september 2010 en 11 oktober 2010 blijkt dat het bestreden besluit op bezwaar van 16 oktober 2008 wordt ingetrokken en dat de aan appellante op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen toegekende uitkering met ingang van 11 april 2010 (datum in geding) ongewijzigd gebaseerd blijft op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Hiermee is volledig aan de bezwaren van appellante tegemoetgekomen. Met betrekking tot het verzoek van appellante om het Uwv te veroordelen in de vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering merkt de Raad het volgende op. Het Uwv heeft bij brief van 11 oktober 2010 aangegeven dat de uitkeringsafdeling heeft bevestigd dat de uitkering van appellante op en na 11 april 2010 ongewijzigd aan haar is uitbetaald, zodat van een na te betalen uitkering geen sprake is. Aangezien het voorgaande door appellante niet wordt bestreden, is de Raad van oordeel dat het verzoek om vergoeding van de wettelijke rente dient te worden afgewezen. De Raad ziet voorts aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 644,- in bezwaar, € 644,- in beroep en € 437,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Met betrekking tot de vordering van de kosten ter hoogte van € 750,- van het rapport van neuropsycholoog dr. E.J.T. Matser van 13 mei 2008 is de Raad van oordeel dat deze vordering voor toewijzing in aanmerking komt. Eveneens komen voor vergoeding in aanmerking de kosten die appellante heeft gemaakt voor het inwinnen van inlichtingen bij de behandelende sector ter hoogte van € 37,70. Aan reiskosten komt appellante een vergoeding toe van € 36,30. In totaal komt dus een bedrag van € 2.549,- voor vergoeding in aanmerking. Aangezien de in beroep overgelegde toevoeging niet op naam staat van de gemachtigde van appellante, heeft deze geen betekenis voor de onderhavige procedure. De Raad merkt verder op dat uit artikel 22, vijfde lid, van de Beroepswet volgt dat appellante zich met een verzoek om vergoeding van het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht tot het Uwv kan wenden. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Wijst het verzoek om schadevergoeding af; Veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.549,-. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2010. (get.) D.J. van der Vos. (get.) A.L. de Gier. KR
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.