← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BO8580

08/5799 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 22 augustus 2008, 07/1814 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 22 december 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante is hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november

  1. Namens appellante is verschenen mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat te Venlo. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius. Na de behandeling van het geding ter zitting heeft de Raad besloten het onderzoek te heropenen. Het Uwv heeft bij brief van 10 december 2009 enkele vragen van de Raad beantwoord. Nadien hebben partijen diverse malen hun standpunt uiteengezet. Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat verder onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten. II. OVERWEGINGEN
  2. Op de aanvraag van appellante om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 14 mei 2007 afwijzend beslist, omdat appellante per 9 mei 2007 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellante met inachtneming van haar medische beperkingen geschikt is te achten tot het verrichten van werkzaamheden in passende functies zonder verlies aan verdienvermogen. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 22 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
  3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. De rechtbank heeft gelet op alle voorhanden medische gegevens geen aanknopingspunten gevonden om de eindconclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in twijfel te trekken. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden om aan te nemen dat de verzekeringsartsen onvoldoende tegemoet zijn gekomen aan de bij appellante bestaande beperkingen. De informatie van de behandelende sector is uitdrukkelijk en in voldoende mate in de beoordeling meegenomen. Niet is gebleken dat de klachten van appellante zijn onderschat dan wel onjuist zijn geïnterpreteerd en evenmin dat de informatie uit de behandelende sector in de omschrijving van de medische beperkingen en mogelijkheden onjuist zou zijn uitgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is in ieder geval niet gebleken dat appellante op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten op de datum in geding niet in staat was te achten om binnen de voor haar geldende beperkingen vallende werkzaamheden te verrichten. De rechtbank heeft ten slotte de juistheid van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.
  4. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Zij acht zich niet in staat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen te vervullen door enerzijds haar medische beperkingen en anderzijds het ontbreken van het vereiste opleidingsniveau 2 en haar gebrekkige kennis van de Nederlandse taal.
  5. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  6. Met betrekking tot de medische beoordeling van het bestreden besluit heeft de Raad geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven en hij stelt zich achter de uitvoerige overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. Ook de Raad is uit het geheel van de voorliggende medische gegevens niet gebleken dat de verzekeringsartsen van het Uwv bij de vaststelling van de beperkingen van appellante, neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 23 april 2007, onvoldoende rekening hebben gehouden met haar klachten noch dat er overigens sprake is van een onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Evenmin als in beroep heeft appellante in hoger beroep medische gegevens in het geding gebracht die twijfel doen rijzen over de juistheid van de FML van 23 april
  7. Voor het instellen van een deskundigenonderzoek - zoals door appellante is verzocht - ziet de Raad dan ook geen aanleiding. 4.
  8. Aldus uitgaande van de juistheid van de FML van 23 april 2007 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die uiteindelijk aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen de diverse in dit geding opgemaakte arbeidskundige rapporten, in het bijzonder het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige P.H.M. Leentjes van 16 november 2009, waarin is ingegaan op de door appellante - eerst in hoger beroep - aangevoerde gronden met betrekking tot haar medische geschiktheid voor de functies, is de Raad van oordeel dat een als genoegzaam aan te merken onderbouwing is gegeven aan de geschiktheid van de geselecteerde functies. 4.
  9. Met betrekking tot het voor appellante vastgestelde opleidingsniveau 2 overweegt de Raad het volgende. Bij dit niveau hoort dat appellante moet kunnen lezen, schrijven en rekenen op eind basisschoolniveau. Een indicatie daarvoor is het volledig doorlopen van de basisschool en eventueel enkele jaren vervolgonderwijs zonder diploma, waaraan niet afdoet dat appellante haar opleiding buiten Nederland heeft genoten. Bezwaararbeidsdeskundige Leentjes heeft in haar rapport van 16 november 2009 onweersproken uiteengezet dat appellante in Marokko de Koranschool heeft doorlopen en een opleiding richting textiel heeft gevolgd. Op basis daarvan heeft het Uwv zich naar het oordeel van de Raad terecht op het standpunt gesteld dat appellante in staat moet worden geacht te lezen, schrijven en rekenen op eind basisschoolniveau en daarmee voldoet aan opleidingsniveau
  10. Appellante moet dan ook in staat worden geacht te kunnen functioneren in de functies die uiteindelijk aan de schatting ten grondslag zijn gelegd mede nu in die functies sprake is van routinematige werkzaamheden. 4.
  11. Appellantes stelling dat zij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om de voor haar geduide functies te vervullen, onderschrijft de Raad evenmin gelet op artikel 9, aanhef en onder a, van het geldende Schattingsbesluit en onder verwijzing naar zijn rechtspraak zoals die naar voren komt in onder meer zijn uitspraak van 19 september 2008, LJN BF
  12. De Raad overweegt daartoe dat appellante vanaf 1980 in Nederland is en sedert begin jaren 90 werkzaamheden in dienstverband heeft verricht, zodat zij mede uit dien hoofde geacht moet worden te beschikken over de - bescheiden - vaardigheden die in de functies worden gevraagd inzake beheersing van de Nederlandse taal. 4.
  13. De overwegingen 4.1 tot en met 4.4 leiden de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak; Wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december
  15. (get.) C.P.M. van de Kerkhof. (get.) M.A. van Amerongen. KR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.