09/3590 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 20 mei 2009, 08/903 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College) Datum uitspraak: 14 december 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Veen, werkzaam bij de gemeente Groningen. II. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Bij besluit van 17 januari 2008 is aan appellant meegedeeld dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning in het kader van de zogenoemde pardonregeling. De verblijfsvergunning, die terugwerkende kracht heeft tot 13 juni 2007, is op 3 maart 2008 aan appellant uitgereikt. Op 23 januari 2008 heeft appellant zich bij de dienst Sociale Zaken en Werk van de gemeente Groningen gemeld voor het aanvragen van een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 5 juni 2008, voor zover hier van belang, heeft het College aan appellant met ingang van 23 januari 2008 bijstand toegekend. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van de bijstand en zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op bijstand vanaf de datum met ingang waarvan hem een verblijfsvergunning is verleend. Bij besluit van 4 september 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 juni 2008 ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover in dit geding van belang, het beroep van appellant tegen het besluit van 4 september 2008 ongegrond verklaard.
- Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de WWB stelt het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag vast. Artikel 44, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. 4.
- Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. 4.
- In geschil is of het College in de door appellant aangevoerde omstandigheden aanleiding had moeten vinden om appellant met ingang van een eerdere datum dan 23 januari 2008 bijstand toe te kennen. 4.
- Appellant heeft naar voren gebracht dat hij bekend is met de vaste rechtspraak van de Raad inhoudende dat het enkele feit dat een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wordt verleend geen bijzondere omstandigheid oplevert die het vervroegen van de ingangsdatum van de bijstand rechtvaardigt. Appellant stelt evenwel dat hij schulden heeft moeten maken in de periode voorafgaand aan zijn aanvraag. De Raad ziet daarin echter geen aanleiding tot het vervroegen van de ingangsdatum van de bijstand. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat appellant in de periode voorafgaand aan 23 januari 2008 niet in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft kunnen voorzien. Appellant heeft in deze periode onderdak gekregen bij de noodopvang van Stichting Inlia, alwaar hij ook leefgeld ontving om te voorzien in de eerste levensbehoeften. Voorts heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij in de periode voorafgaand aan 23 januari 2008 schulden heeft gemaakt waaraan een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is gekoppeld. Ten bewijze van de gemaakte schulden heeft appellant een tweetal verklaringen overgelegd, waarin wordt verklaard dat geld aan appellant is geleend. Appellant heeft ter zitting verklaard dat deze medio juni 2007 zijn opgemaakt. Bewijzen van daadwerkelijke overdracht van gelden zijn niet voorhanden. Verder is van belang dat slechts in één van deze verklaringen is een zinsnede over terugbetaling opgenomen. Deze is echter zodanig algemeen geformuleerd dat niet gesproken kan worden van een concrete, daadwerkelijke aflossingsverplichting. Daarbij tekent de Raad aan dat er geen documenten in het geding zijn gebracht waaruit blijkt dat appellant betalingen heeft verricht ter aflossing van de gestelde schulden. 4.
- Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking komt.
- De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december
- (get.) C. van Viegen. (get.) N.M. van Gorkum. BvW