← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BO8849

09/89 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 december 2008, 08/2070 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College) Datum uitspraak: 14 december 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.A.H.H. Ceelen, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Mr. B.F. Desloover, advocaat te Rotterdam, heeft de behandeling van de zaak van mr. Ceelen overgenomen. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nrs. 09/90 WWB en 10/5246 WWB, plaatsgevonden op 2 november

  1. Appellant is - zoals vooraf bericht - niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan. II. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant ontvangt bijstand sinds november 1989, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 28 juni 2005 heeft het College de norm voor appellant gewijzigd naar die voor een alleenstaande ouder met terugwerkende kracht tot 1 januari
  4. 1.
  5. De Belastingdienst heeft appellant bij besluit van 15 januari 2005 een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2005 toegekend van € 802,--. Deze was gebaseerd op een inkomen van € 9.001,-- en de toepassing van de algemene heffingskorting, de kinderkorting en de aanvullende kinderkorting. 1.
  6. Het College heeft over het jaar 2005 aan appellant een foutieve jaaropgave voor de inkomstenbelasting verstrekt. Daarin is vermeld een fiscaal loon van € 21.441,--. Bij brief van 2 februari 2007 heeft het College dit hersteld en een nieuwe jaaropgave over 2005 verstrekt. Daarin is als fiscaal loon vermeld een bedrag van € 19.800,-- en een loonheffing van € 4.917,--. De Belastingdienst heeft appellant op 10 augustus 2007 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2005 opgelegd van € 5.490,--. Appellant heeft een aangifte inkomstenbelasting gedaan over het jaar
  7. De Belastingdienst heeft deze aangifte behandeld als bezwaarschrift tegen de aanslag. In deze aangifte heeft appellant aangetekend dat hij recht heeft op de alleenstaande ouderkorting. Bij besluit op bezwaar van 26 september 2007 heeft de Belastingdienst de aanslag verlaagd met € 4.387,-- en daarbij rekening gehouden met de alleenstaande ouderkorting. Nadien heeft de Belastingdienst de aanslag 2005 bij besluit op bezwaar van 13 november 2007 verder verlaagd in verband met de onjuiste jaaropgave. 1.
  8. Bij besluit van 29 november 2007 heeft het College - voor zover hier van belang - de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB herzien over de periode 1 januari 2005 tot en met 31 december
  9. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant zijn wettelijke inlichtingenverplichting niet is nagekomen en dat uit onderzoek is gebleken dat de door appellant ontvangen alleenstaande ouderkorting tot een bedrag van € 1.401,-- niet met de bijstandsuitkering was verrekend. Bij dat besluit is een bedrag van € 2.696,62 (bruto) van appellant teruggevorderd. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en onder meer aangevoerd dat hij in 2005 geen betalingen ter zake van de alleenstaande ouderkorting heeft ontvangen. 1.
  10. Bij besluit van 8 april 2008 heeft het College - voor zover hier van belang - het bezwaar tegen het besluit van 29 november 2007 ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat uit de beschikkingen van de Belastingdienst is gebleken dat aan appellant de alleenstaande ouderkorting is toegekend en dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet over de toegekende korting kon beschikken. 2.
  11. Appellant heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. In beroep heeft hij aangevoerd dat hij in 2005 geen betalingen heeft ontvangen van de Belastingdienst. 2.
  12. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 april 2008 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat een heffingskorting een middel is als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de WWB, dat de alleenstaande ouderkorting aan appellant is toegekend en dat - kort gezegd - het er niet toe doet of appellant de betaling daarvan in 2005 heeft ontvangen.
  13. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
  14. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  15. Het besluit van 8 april 2008 tot handhaving van de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 is een voor appellant belastend besluit. Het berust op de grondslag dat bijstand tot een te hoog bedrag is verleend door het niet of niet behoorlijk nakomen van de wettelijke inlichtingenverplichting. Het is daarom aan het College om aannemelijk te maken dat appellant ten aanzien van die periode de inlichtingenverplichting heeft geschonden. 4.
  16. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. 4.
  17. Naar het oordeel van de Raad is de toekenning van de alleenstaande ouderkorting, en de voorlopige teruggaaf waarin die heffingskorting is verdisconteerd, een feit als onder 4.2 bedoeld. Uit de onder 1.1 tot en met 1.5 vastgestelde feiten volgt dat de Belastingdienst aan appellant de alleenstaande ouderkorting over het jaar 2005 heeft toegekend. Daaruit kan echter naar het oordeel van de Raad niet worden afgeleid dat deze toekenning in dat jaar heeft plaatsgevonden. Van appellant kon bij die stand van zaken niet verlangd worden aannemelijk te maken dat hij in die periode niet beschikt heeft over de alleenstaande ouderkorting. Het College heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat te veel bijstand is verleend ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting. Het besluit van 8 april 2008 berust dus niet op een deugdelijke motivering. 4.
  18. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 8 april 2008, voor zover het betrekking heeft op de intrekking en terugvordering over het jaar 2005, vernietigen. De Raad kan het voorliggende geschil niet finaal beslechten. Uit hetgeen onder 5 zal worden overwogen volgt immers dat het College de motivering van het besluit zou kunnen herstellen of een andere wettelijke grondslag voor de terugvordering zou kunnen toepassen. Daarom zal het College worden opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
  19. Met het oog op het nieuw te nemen besluit overweegt de Raad nog als volgt. 5.
  20. Hetgeen onder 4 is overwogen laat onverlet de verplichting van appellant om over het jaar 2005 alle inlichtingen aan het College te verschaffen die van belang zijn voor het vaststellen van zijn recht op bijstand. Dat betreft, gelet op de verleende voorlopige teruggave en voorlopige aanslagen over 2005 genoemd onder 1, in ieder geval gegevens omtrent betalingen door de Belastingdienst ter zake van de verleende voorlopige teruggave en heffingskortingen over 2005, de nadere, verhoogde voorlopige teruggave over het jaar 2005 blijkend uit de voorlopige aanslagen over 2005, en de eerste aanslag Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen over 2005 gedagtekend 10 augustus 2007 blijkend uit het tot de gedingstukken behorende dwangbevel van 14 december
  21. Uit deze gegevens kan immers alsnog blijken dat appellant ten aanzien van de hem verleende voorlopige teruggaven en heffingskortingen zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. De Raad merkt op dat het College deze gegevens ook zelf met toepassing van artikel 64 van de WWB bij de Belastingdienst kan opvragen. 5.
  22. De rechtbank heeft in verband met artikel 31, eerste lid, van de WWB met juistheid overwogen dat een verleende heffingskorting behoort tot de middelen waarover de bijstandsgerechtigde kan beschikken. Indien de Belastingdienst een heffingskorting verleent aan een bijstandsgerechtigde na afloop van de periode waarop deze betrekking heeft en waarin het College bijstand heeft verleend, dan betreft die heffingskorting naderhand verkregen middelen als bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB, die met toepassing van dat artikel kunnen worden teruggevorderd. Indien het College deze grondslag voor het nieuw te nemen besluit wil toepassen, zal het ook de vraag onder ogen moeten zien of brutering op grond van artikel 58, vierde lid, van de WWB op zijn plaats is.
  23. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep gegrond; Vernietigt het besluit van 8 april 2008 voor zover het betrekking heeft op de intrekking en terugvordering van de kosten van bijstand over het jaar 2005; Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak; Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--; Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december
  24. (get.) N.J. van Vulpen-Grootjans. (get.) R. Scheffer. NW

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.