09/6299 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 13 november 2009, 09/1004 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen Datum uitspraak: 21 december 2010 I. PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 22 juni 2010 heeft de Raad het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die uitspraak heeft appellant verzet gedaan. Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 9 november
- Partijen zijn niet verschenen. II. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 22 juni 2010 berust, kort samengevat, hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel 22, tweede lid, aanhef en onder a, van de Beroepswet verschuldigde griffierecht van € 110,-- niet binnen de laatstelijk bij aangetekend verzonden brief van 4 maart 2010 gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. In geding is de vraag of het hoger beroep van appellant terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn genoemde uitspraak gegeven en overweegt daartoe het volgende. De Raad stelt vast dat appellant het griffierecht niet heeft betaald, ook niet na de rappelbrief van 4 maart
- In verzet heeft appellant aangevoerd dat er sprake was van betalingsonmacht en dat het verwijtbaar is dat de Raad appellant niet in de gelegenheid heeft gesteld een aanvraag voor bijzondere bijstand in te dienen, de beslissing hieromtrent af te wachten en nadere informatie in te winnen bij appellant. In het verzetschrift heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden die kunnen leiden tot de conclusie dat appellant het verzuim niet kan worden tegengeworpen. Daarbij merkt de Raad op dat appellant eerst in verzet - en dus niet binnen de termijn waarin het griffierecht moest worden voldaan - een beroep op onvermogen heeft gedaan en dat hij evenmin binnen de gestelde termijn om uitstel van betaling heeft verzocht. Tot slot is de Raad niet gebleken dat appellant in verband met de door hem gestelde betalingsonmacht (tijdig) van de mogelijkheid tot het aanvragen van bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht voor het onderhavige hoger beroep gebruik heeft gemaakt. Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door A.B.J van der Ham als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december
- (get.) A.B.J. van der Ham. (get.) I. Mos. KR