← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BO8864

10/1727 WWB-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 februari 2010, 09/2187 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College) Datum uitspraak: 20 december 2010 I. PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 24 augustus 2010, in afschrift aan partijen gezonden op 31 augustus 2010, heeft de Raad het namens appellant door mr. M.N.R. Nasrullah, advocaat te Rotterdam, tegen de aangevallen uitspraak ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de uitspraak van de Raad van 24 augustus 2010 heeft appellant bij faxbericht van 15 oktober 2010 verzet gedaan. Het verzet is behandeld ter zitting van 29 november

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H. Halfers, advocaat te Rotterdam en kantoorgenoot van mr. Nasrullah. Het College is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. II. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 24 augustus 2010 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat (de gemachtigde van) appellant niet in verzuim is geweest. De Raad ziet zich allereerst, ambtshalve, gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het verzet. Vaststaat dat het verzetschrift niet tijdig is ingediend. De Raad is vervolgens van oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Daargelaten hoe de communicatie tussen appellant en mr. Nasrullah precies is verlopen en of al dan niet sprake is geweest van een misverstand tussen appellant en mr. Nasrullah, de gevolgen hiervan zijn volgens rechtspraak in beginsel voor rekening van degene ten behoeve van wie het verzetschrift is ingediend. Van bijzondere omstandigheden die dwingen tot het maken van een uitzondering op dit beginsel, is niet gebleken. Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Voor een veroordeling in de kosten van het verzet bestaat geen aanleiding. Ten overvloede overweegt de Raad nog dat in hetgeen appellant in het verzetschrift heeft aangevoerd, geen grond is gelegen voor het oordeel dat het niet betalen van het griffierecht redelijkerwijs niet aan (de gemachtigde van) appellant kan worden verweten. De uitspraak van de Raad van 24 augustus 2010 is daarom juist. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het verzet niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december
  2. (get.) T.G.M. Simons. (get.) D.W.M. Kaldenhoven. NK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.