09/5802 WUV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: appellant), en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 16 december 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 10 september 2009, kenmerk BZ 48493, JZ/W70/2009, ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: het bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wuv). Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november
- Appellant is niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN
- Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in oktober 2008 een aanvraag ingediend voor een periodieke uitkering en diverse voorzieningen. 1.
- Bij besluit van 29 april 2009 is appellant door verweerster met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wuv gelijkgesteld met een vervolgde in verband met psychische problematiek die in verband staat met het overlijden van zijn vader ten gevolge van de vervolging. Aan appellant zijn vergoedingen voor niet gedekte medische kosten, medisch vervoer en huishoudelijke hulp en een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer toegekend. 1.
- Voor het overige is op de aanvraag afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit. Verweerster heeft hierbij overwogen dat appellant niet voor de gevraagde periodieke uitkering in aanmerking komt omdat de bij hem geconstateerde psychische klachten niet hebben geleid tot een verminderd functioneren ten opzichte van zijn leeftijdsgenoten. 2.
- Appellant heeft in beroep in hoofdzaak naar voren gebracht dat zijn rug- en nekklachten wel degelijk samenhangen met de vervolging, omdat deze zijn veroorzaakt en/of verergerd door ondervoeding tijdens en na de oorlog. Appellant stelt voorts in zijn beroepsleven belemmerd te zijn geweest door zijn psychische klachten. 2.
- Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
- De Raad staat in dit geding voor de vraag of het bestreden besluit, gelet op wat partijen in beroep hebben aangevoerd, in rechte stand kan houden. 3.
- Appellant is gelijkgesteld met een vervolgde met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wuv. 3.
- Op grond van artikel 7, eerste lid, onder a, van de Wuv heeft recht op een uitkering de vervolgde die wegens ziekte of gebreken welke door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd, buiten staat is een inkomen te verwerven dat gelijk is aan de ingevolge artikel 8 van de Wuv geldende grondslag. Bij personen die, zoals appellant, niet zijn aangewezen op inkomsten uit arbeid in beroep en bedrijf, hanteert verweerster hierbij de, door de Raad in vaste rechtspraak aanvaarde, maatstaf dat sprake moet zijn van een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdsgenoten. Hiervan is sprake indien een betrokkene als gevolg van de aan de vervolging gerelateerde psychische klachten beperkingen heeft in minstens twee van de vier rubrieken die de American Medical Association (AMA) kent, te weten “dagelijkse activiteiten”, “sociaal functioneren”, “concentratie”, “doorzettingsvermogen en tempo” en “aanpassing aan stressvolle omstandigheden”. 3.
- Naar uit de stukken blijkt is het standpunt van verweerster in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke adviezen berusten op een door de psychiater S. Shipto bij appellant verricht onderzoek. In zijn rapport van 26 maart 2009 concludeert de psychiater dat appellant psychische klachten ondervindt die in verband staan met het overlijden van zijn vader, maar dat deze klachten geen beperkingen opleveren in de vier rubrieken van de AMA, zodat niet gesproken kan worden van een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdsgenoten. Ten aanzien van de rug- en nekklachten van appellant is door de geneeskundig adviseur, A.J. Maas, geconcludeerd dat deze niet gerelateerd kunnen worden aan het overlijden van de vader. 3.
- De Raad acht het bestreden besluit op grond van de onder 3.3 genoemde adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de voorhanden zijnde medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster ingenomen standpunt. In het bijzonder heeft de Raad geen grond gevonden om aan te nemen dat de uit de psychische klachten voortvloeiende beperkingen bij appellant zijn onderschat of dat zijn lichamelijke klachten moeten worden toegeschreven aan het overlijden van zijn vader. 3.
- Met betrekking tot de stelling van appellant dat hij in zijn beroepsleven belemmerd zou zijn geweest door zijn oorlogsgerelateerde psychische klachten hebben de geneeskundig adviseurs overwogen dat uit de stukken is gebleken dat de carrière van appellant past bij zijn opleidingsniveau en dat hij gedurende zijn werkzame leven wel degelijk promotie had gemaakt, zodat niet aannemelijk is dat appellant in zijn beroepsleven is belemmerd door zijn psychische klachten. 3.
- In verband met het feit dat de Raad tot het oordeel is gekomen dat het medisch onderzoek dat ten grondslag heeft gelegen aan het bestreden besluit volledig en zorgvuldig is geweest, is er geen aanleiding om te veronderstellen dat een nader onderzoek door psychiater Shipto, waar appellant in bezwaar en beroep om heeft verzocht, gegevens op zou leveren die zouden nopen tot het innemen van een ander standpunt. 3.
- Nu de Raad ook in hetgeen overigens door appellant naar voren is gebracht geen aanleiding heeft gevonden om het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking te brengen, dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard. De Raad merkt hierbij nog op dat hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot het getuige zijn van mishandeling van zijn moeder door Japanners eventueel een rol zou kunnen spelen bij een beoordeling in het kader van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-
- Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december
- (get.) A. Beuker-Tilstra. (get.) I. Mos. HD