09/4047 WSW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant] wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 juni 2009, 08/4674 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: raad van bestuur) Datum uitspraak: 16 december 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft een hoger beroepschrift ingediend. De raad van bestuur heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 2 december
- Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. II. OVERWEGINGEN
- Met ingang van 1 januari 2009 is krachtens de Wet van 29 december 2008 tot wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enkele andere wetten in verband met de evaluatie van deze wet, de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en deregulering, Stb. 2008, 600, de Raad van bestuur in de plaats getreden van de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: CWI). Waar in deze uitspraak sprake is van de raad van bestuur, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de raad van bestuur van de CWI.
- Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. 2.
- Bij besluit van 2 april 2008 heeft de raad van bestuur afwijzend beslist op het verzoek van appellant te bepalen dat hij behoort tot de doelgroep van de sociale werkvoorziening. Uit de resultaten van het daartoe verrichte onderzoek door bedrijfsarts A. Klepke en arbeidsdeskundige A. Toussaint is gebleken dat appellant wegens psychische beperkingen niet belastbaar is met arbeid, ook niet met inzet van aanpassingen vanuit de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). Appellant heeft kort daarvoor een terugval gehad, waardoor hij nog in de nazorg zit. Appellant wordt geadviseerd om na de behandeling een nieuw verzoek in te dienen, zodat alsdan beoordeeld kan worden of hij in staat is tot regelmatige arbeid, met inzet van aanpassingen. Dit besluit is na bezwaar, en nadat opnieuw advies is ingewonnen van een arbeidsdeskundige, gehandhaafd bij besluit van 23 juni 2008 (bestreden besluit). 2.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen grond is voor het oordeel dat de raad van bestuur de rapportages van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Voorts ziet de rechtbank geen aanleiding om de conclusies van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige, dat appellant op dit moment niet kan worden belast met arbeid, ook niet met inzet van werkaanpassingen vanuit Wsw-subsidie, voor onjuist te houden. Te meer nu appellant heeft erkend dat hij op datum in geding vanwege een terugval niet in staat was tot het verrichten van loonvormende arbeid, ook niet in Wsw-verband. Dat appellant mogelijk in de toekomst wel belastbaar moet worden geacht voor arbeid vanuit de Wsw, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. In het kader van een aanvraag om een Wsw-subsidie dient uit te worden gegaan van de belastbaarheid van appellant op de datum in geding. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat appellant verwacht nadelige gevolgen te ondervinden van de verplichtingen die hem in het kader van de Werkloosheidswet kunnen worden opgelegd, geen rol kan spelen bij de vraag of appellant behoort tot de doelgroep van de Wsw.
- Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende. 3.
- De Raad onderschrijft het oordeel dat de rechtbank over het besluit van 23 juni 2008 heeft gegeven. Appellant heeft in hoger beroep op dit punt in wezen geen andere gronden aangevoerd dan hij in eerste aanleg had gedaan. Nu de Raad de overwegingen, op grond waarvan de rechtank tot haar oordeel is gekomen, volledig onderschrijft, volstaat de Raad met te verwijzen naar die overwegingen.
- Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december
- (get.) K. Zeilemaker. (get.) K. Moaddine. HD