09/6339 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 november 2009, 09/433 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 29 december 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. E. Osinga, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november
- Namens appellante is verschenen mr. M.M. Dezfouli, advocaat te Utrecht. Tevens was aanwezig [ M.B.] Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.H. Reith. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellante is op 28 juni 1998 voor haar werk van magazijnmedewerkster uitgevallen in verband met al langer bestaande buikklachten. Per 28 juni 1999 is aan haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 14 oktober 2006 is aan appellante door het Uwv meegedeeld dat haar WAO-uitkering wordt ingetrokken per 14 december 2006 omdat haar arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%. Het bezwaar tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 4 april 2007 ongegrond verklaard. Het tegen het besluit van 4 april 2007 ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank van 15 februari 2008 ongegrond verklaard. 1.
- Namens appellante is bij brief van 3 april 2008 melding gemaakt van nieuwe feiten en omstandigheden op grond waarvan appellante wederom een aanspraak doet op een WAO-uitkering. Zij heeft, als gevolg van een eerder plaatsgevonden resectie van de dikke darm, aanhoudende buikklachten waarvoor zij zich weer onder behandeling heeft gesteld van specialisten. Appellante meent hierdoor volledig arbeidsongeschikt te zijn. 1.
- Bij besluit van 25 augustus 2008 heeft het Uwv de aanvraag om een WAO-uitkering afgewezen. Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 8 januari 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag is gebaseerd en dat het Uwv op goede gronden heeft geconcludeerd dat appellante niet toegenomen arbeidsongeschikt is.
- In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat wel sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid vanwege de aanhoudende buikklachten. Appellante is nog steeds onder behandeling voor deze klachten. Appellante vindt dat ten onrechte meer gewicht wordt toegekend aan het rapport van de bezwaarverzekeringsarts dan aan de door haar overgelegde brieven van behandelend sector, waarbij zij met name wijst op brieven van haar behandelend chirurg K.H. Ong van 14 maart 2008, 11 juli 2008 en 23 september
- Zij geeft aan dat zij met haar buikklachten de haar geduide functies, met name de functie van inpakker, onmogelijk kan verrichten nu zij niet een aantal uren achtereen kan staan.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Evenals de rechtbank heeft ook de Raad geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het medische oordeel van het Uwv. Bezwaarverzekeringsarts J.A.M.M. Sijben heeft in zijn rapportage van 6 januari 2009 genoegzaam beargumenteerd dat mede gelet op de eerdere medische beoordelingen en gelet op de door appellante overlegde informatie van de behandelend sector, in de Functionele Mogelijkheden Lijst die ten grondslag lag aan de intrekking in 2006, reeds forse beperkingen zijn aangenomen en dat met deze beperkingen ook thans in ruim voldoende mate rekening is gehouden met de klachten van appellante. De namens appellante aangevoerde verdergaande beperkingen zijn in beroep noch in hoger beroep met nadere, objectief medische, gegevens onderbouwd. Aan de enkele ter zitting geponeerde stelling dat specialisten in het AMC te Amsterdam appellante zouden hebben geadviseerd om te rusten en niet te werken, kan niet die betekenis worden gehecht die appellante daaraan toegekend wil zien. Tot slot merkt de Raad nog op dat behandelend chirurg Ong in zijn brief van 11 juli 2008, gericht aan verzekeringsarts J.J.J. Hagenbeek, desgevraagd, van mening is dat er geen bezwaren bestaan bij normale werkzaamheden zonder zware lichamelijke belasting. Gelet op het vorenstaande heeft de Raad geen aanleiding gezien de bezwaarverzekeringsarts niet te volgen en heeft aldus evenmin aanleiding de medische component van het bestreden besluit voor onjuist te houden. 4.
- De Raad ziet evenmin redenen tot een ander oordeel te komen omtrent de geschiktheid van de functies dan de rechtbank. Ervan uitgaande dat de ten aanzien van appellante van toepassing geachte beperkingen juist zijn te achten, staat ten slotte ook voor de Raad genoegzaam vast dat de bij de schatting gebruikte functies geacht kunnen worden binnen het bereik van appellante te liggen. In de rapportage van 7 januari 2009 heeft bezwaararbeidsdeskundige B. Altena voldoende toegelicht waarom de functie van inpakker gelet op de sta-belasting geschikt is voor appellante.
- Er zijn geen termen aanwezig voor vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december
- (get.) C.P.M. van de Kerkhof. (get.) A.L. de Gier. NK