08/2464 WW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2008, 07/565 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) Datum uitspraak: 28 december 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R.J. Ouderdorp, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2009, waar voor appellant is verschenen mr. Ouderdorp, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. F.A. Steeman, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Bij brief van 10 juni 2010 heeft appellant nadere informatie verstrekt. Met toestemming van partijen voor afdoening buiten zitting heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten. II. OVERWEGINGEN
- De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. 2.
- Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende. 2.
- Appellant was via Randstad Projecten B.V. werkzaam als algemeen medewerker bij de bloemenveiling te Aalsmeer. Op 25 maart 2002 is hij arbeidsongeschikt geworden. 2.
- Bij besluit van 31 augustus 2004 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 24 maart 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% en een dagloon van € 91,
- Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, omdat hij zich niet kon verenigen met de hoogte van het dagloon. Bij besluit van 23 april 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 augustus 2004 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 mei 2010 (procedurenummer 08/1650) heeft de rechtbank Amsterdam het beroep tegen het besluit van 23 april 2008 ongegrond verklaard. Appellant heeft geen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak, zodat het besluit van 23 april 2008 in rechte onaantastbaar is geworden. 2.
- Bij besluit van 2 april 2004 heeft het Uwv geweigerd appellant per 24 maart 2003 een uitkering ingevolge de WW toe te kennen. Bij besluit van 30 januari 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 april 2004 gegrond verklaard, en appellant per 24 maart 2003 een uitkering ingevolge de WW toegekend. Daarbij heeft het Uwv, uitgaand van een WAO-dagloon per 23 maart 2004 van € 92,22 en toepassing gevend aan artikel 14, eerste lid, van de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Dagloonregels IWS), het WW-dagloon vastgesteld op € 73,
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 30 januari 2007 ongegrond verklaard.
- Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 5.
- In artikel 14, eerste lid, van de Dagloonregels IWS is voor een situatie als de onderhavige dwingend voorgeschreven dat het dagloon voor de WW gelijk is aan het dagloon volgens de bij en krachtens de WAO vastgestelde bepalingen. In de tweede volzin van deze bepaling is opgenomen dat het aldus berekende dagloon evenredig wordt verlaagd door het dagloon te vermenigvuldigen met een breuk, waarvan de teller wordt gevormd door het verschil tussen 100 en het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse, waarin de werknemer is ingedeeld en de noemer door het getal
- 5.
- Zoals de Raad reeds heeft overwogen in 2.3 is het besluit van 23 april 2008, waarbij het WAO-dagloon is vastgesteld op € 91,08, in rechte onaantastbaar geworden. Nu niet in geschil is dat het Uwv het WW-dagloon per 24 maart 2003 overeenkomstig artikel 14 van de Dagloonregels IWS heeft afgeleid van het WAO-dagloon, kan de Raad niet anders dan concluderen dat het WW-dagloon in ieder geval niet te laag is vastgesteld. In dit kader merkt de Raad op dat het Uwv bij de berekening van het WW-dagloon in het voordeel van appellant uitgegaan is van een WAO-dagloon per 24 maart 2003 van € 92,22, terwijl dit feitelijk was vastgesteld op € 91,
- 5.
- Appellant heeft in hoger beroep mede betoogd dat de overwegingen van de rechtbank de aangevallen uitspraak niet kunnen dragen, omdat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 31 augustus 2004, waarbij (onder meer) het WAO-dagloon van appellant werd vastgesteld, reeds in rechte onaantastbaar was geworden. Tussen partijen is evenwel niet in geschil - en ook de Raad gaat daar van uit - dat appellant eerst bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 31 augustus 2004 nadat de rechtbank in onderhavig geschil het onderzoek ter zitting op 7 februari 2008 had gesloten. De Raad is dan ook van oordeel dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak met juistheid heeft vastgesteld dat het besluit van 31 augustus 2004 in rechte onaantastbaar was.
- Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 december
- (get.) R.C. Schoemaker. (get.) M.C.T.M. Sonderegger. IJ