09/2643 AW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 2 april 2009, 08/931 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, thans: de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: minister) Datum uitspraak: 16 december 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Dammingh, advocaat te Woerden. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Timmer-van Dishoeck, werkzaam bij het Korps landelijke politiediensten (Klpd). II. OVERWEGINGEN
- Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de Minister van Veiligheid en Justitie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties.
- Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 2.
- Appellant was tot 1 januari 2005 werkzaam bij het kernteam Zuid-Nederland en in dienst bij de politieregio Noord-Brabant-Oost. Met ingang van die datum is hij geplaatst bij de Unit Zuid Nederland van de onder het Klpd vallende Dienst Nationale Recherche (DNR) te Helmond als financieel rechercheur. Daarbij is de datum van oorspronkelijke binding van 1 januari 2010 behouden gebleven, evenals de vergoeding bovenmatige reistijd van € 228, 57 en 13,40 uren per maand. 2.
- Bij besluit van 4 september 2007 is appellants plaats van tewerkstelling per 8 oktober 2007 vastgesteld op Son. Bij besluit van 10 oktober 2007 is appellant met toepassing van artikel 64 van het Besluit algemene rechtspositie politie verplaatst. In dit besluit is voorts opgenomen dat de reistijd woonwerkverkeer als gevolg van deze verplaatsing is gewijzigd, maar omdat de nieuw berekende vergoeding bovenmatige reistijd conform de Aanvullende regeling woon-werkverkeer KLPD lager is dan de vergoeding die appellant ontvangt op grond van overgangsrecht, behoudt appellant zijn oude vergoeding. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 mei 2008 (hierna: bestreden besluit).
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
- Appellant meent dat de vergoeding die hij op grond van het overgangsrecht per 1 januari 2005 behield voor de reis tussen Heerlen en Helmond als gevolg van de gedwongen verplaatsing moet worden herberekend, waarbij de langere reistijd (van 32 minuten) tussen Heerlen en Son moet worden verdisconteerd.
- De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht als volgt. 5.
- Vast staat dat de aan appellant toegekende vergoeding bovenmatige reistijd berust op het overgangsrecht Vorming Dienst Nationale Recherche
- Dat overgangsrecht was bedoeld om bij de vorming van de DNR een regeling te treffen voor lopende afspraken inzake arbeidsvoorwaarden die collectief of individueel waren gemaakt. Indien de aanspraak voor vergoeding bovenmatige reistijd hoger was dan die bij het Klpd, dan werd die aanspraak door het Klpd overgenomen. De aanspraak werd verstrekt voor de duur van de oorspronkelijke bindingstermijn en vervalt indien de medewerker naar een andere functie binnen de DNR of het Klpd solliciteert. Appellant behield aldus de vergoeding woon-werkverkeer uit zijn kernteamperiode. 5.
- Vast staat eveneens dat appellant op grond van de geldende Aanvullende regeling woon-werkverkeer KLPD van 12 november 2004 uitgaande van zijn plaatsing te Son slechts aanspraak zou maken op een vergoeding voor 61 minuten bovenmatige reistijd, hetgeen correspondeert met een bedrag van € 254,21 per maand of € 203,37 per maand in geld en 3,63 in tijd. Om die reden behield appellant zijn - gunstiger - oude vergoeding. 5.
- Appellant kan niet worden gevolgd in zijn uitleg van het overgangsrecht. Het overgangsrecht had betrekking op de overgang van het kernteam naar de DNR en het Klpd en voorzag - eenmalig - in behoud van bestaande (duur)aanspraken. Daaraan is ook bij de hier aan de orde zijnde verplaatsing nog invulling gegeven, doordat appellant onveranderd recht houdt op zijn hogere vergoeding. Het overgangsrecht, dat naar zijn aard beperkt moet worden uitgelegd, strekt ook naar het oordeel van de Raad niet zover dat een herberekening plaats moet hebben op grond van de nieuwe reisafstand maar met de oude berekeningsmethodiek. Aldus zou appellant via het overgangsrecht recht krijgen op een hogere vergoeding dan hij bij de overgang naar het Klpd had. De uitleg die de minister heeft gegeven acht de Raad dan ook, net als de rechtbank, niet onredelijk.
- Het hoger beroep kan dus niet slagen en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december
- (get.) K. Zeilemaker. (get.) K. Moaddine. HD