09/5412 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 augustus 2009, 08/1064 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 29 december 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van een bezwaararbeidsdeskundige ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R.J.C. Bindels, advocaat te Utrecht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel. II. OVERWEGINGEN
- Appellant, laatstelijk werkzaam als constructiebankwerker, is op 10 oktober 2005 met schouderklachten rechts uitgevallen voor zijn werkzaamheden.
- Het Uwv heeft bij besluit van 26 februari 2008 (hierna: het bestreden besluit) gehandhaafd zijn besluit van 21 september 2007, strekkende tot de vaststelling dat appellant geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 8 oktober 2007, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant aangewezen is op werk dat de schouder niet te zwaar belast. Appellant is om die reden ongeschikt geacht voor de maatgevende arbeid maar wel geschikt voor schoudersparende functies. Het verlies aan verdiencapaciteit is op grond van een theoretische schatting vastgesteld op 17,40%. 3.
- Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 3.
- Het Uwv heeft de rechtbank tijdens de procedure in eerste aanleg, onder toezending van rapporten van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige, bericht dat de ontvangen medische informatie van de behandelend sector aanleiding heeft gegeven de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), welke geldig is per datum in geding, te corrigeren. De bezwaararbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat uitgaande van de gewijzigde FML van 27 januari 2009 de voor appellant geselecteerde functies onverminderd geschikt zijn voor hem. 3.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd omdat het bestreden besluit, gelet op het nader standpunt van het Uwv over de belastbaarheid van appellant, eerst in de beroepsfase van een toereikende motivering is voorzien. De rechtbank heeft aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten, omdat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv voor appellant vastgestelde medische beperkingen zoals weergegeven in de FML van 27 januari 2009 en het Uwv naar haar oordeel genoegzaam heeft gemotiveerd dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies berekend zijn voor zijn belastbaarheid.
- Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Appellant heeft daartoe gesteld dat hij psychisch verminderd belastbaar is en dat het Uwv deze beperkingen ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen bij het vaststellen van de FML. Appellant heeft voorts aangevoerd dat de voor hem geselecteerde functies niet aansluiten bij zijn fysieke mogelijkheden. Appellant stelt zich op het standpunt dat de functies ‘portier/beveiliger’ en ‘parkeerwachter’ voor hem ongeschikt zijn omdat deze functies de mogelijkheid van fysiek ingrijpen met zich meebrengen, waartoe hij niet in staat is. Verder acht appellant zich vanwege de problematiek aan de rechter schouder (én dominantie arm) ongeschikt voor de functie ‘productiemedewerker gordijnen’.
- De Raad overweegt als volgt. 5.
- In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat appellant op de datum in geding meer of anders beperkt was dan door het Uwv en de rechtbank is aangenomen. De Raad overweegt daartoe dat de verzekeringsarts bij onderzoek naar de psyche geen aanwijzingen heeft gevonden voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Voorts is de Raad uit de dossierstukken niet gebleken dat appellant zich vanwege deze klachten reeds ten tijde in geding onder behandeling heeft gesteld. De Raad wijst er in dit verband op dat de vermelding in de brief van revalidatiearts M.A.H. Brouwers van 28 november 2007 dat appellant depressief is, geen constatering door de revalidatiearts betreft, maar een door appellant geuite klacht. Appellant heeft in hoger beroep geen (van zijn behandelend psychiater afkomstige) medische stukken in het geding gebracht die zijn standpunt kunnen onderbouwen. 5.
- Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid in de FML van 27 januari 2009, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. De Raad onderschrijft het standpunt van bezwaararbeidsdeskundige B. Gulmans, neergelegd in diens rapporten van 25 februari 2008, 30 januari 2009 en 1 december
- Zoals de Raad eerder tot uitdrukking heeft gebracht, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 19 mei 2010, LJN BM6240, moet in beginsel worden uitgegaan van de juistheid van de kenmerkende belasting van de werkzaamheden zoals deze in systemen als het CBBS zijn opgenomen. Hetgeen appellant, zonder nadere onderbouwing, heeft aangevoerd, geeft de Raad onvoldoende houvast om aan te nemen dat de kenmerkende belasting in hier van belang zijnde functies in het CBBS niet juist of onvolledig in kaart is gebracht. 5.
- Uit hetgeen onder 5.1 en 5.2 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
- De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december
- (get.) C.P.M. van de Kerkhof. (get.) A.L. de Gier. NK