← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BO9547

10/3588 WAJONG Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante) tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 mei 2010, 09/833 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 31 december 2010 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 17 oktober 2010 heeft appellante aanvullende stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2010. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde L.J. Musters. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Ooms. II. OVERWEGINGEN 1. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een eerder besluit van 10 juli 2003, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 27 januari 2004, bij besluit van 6 augustus 2008 geweigerd om terug te komen van de niet-toekenning aan appellante van een Wajong-uitkering, omdat niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij besluit van 6 februari 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 6 augustus 2008 ongegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft het beroep, ingesteld tegen het bestreden besluit, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - samengevat - geen aanleiding gezien te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts en is van oordeel dat het Uwv op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft aangevoerd. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de eerst in beroep door appellante overgelegde stukken met betrekking tot de WSW-indicatie niet in de beoordeling kunnen worden meegenomen. De rechtbank is ook van oordeel dat er geen grond is om de besluitvorming van het Uwv onzorgvuldig te achten. Ten slotte heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het door appellante gevraagde onderzoek door een onafhankelijke medisch deskundige. 3. In hoger beroep heeft appellante de volgende gronden naar voren gebracht:

  1. a)het besluit van 10 juli 2003 is nietig, omdat appellante ten tijde van het daaraan ten grondslag liggende medisch onderzoek minderjarig was;
  2. b)ten tijde van dat medisch onderzoek beschikte het Uwv over een onvolledig medisch dossier;
  3. c)bij gelegenheid van de hoorzitting van 30 oktober 2003 is tussen appellante en het Uwv afgesproken dat appellante te zijner tijd (dat wil zeggen na een nieuw medisch onderzoek en na afloop van een opname van appellante) opnieuw een aanvraag voor een Wajong-uitkering zou doen, welke afspraak door het Uwv is geschonden;
  4. d)ten onrechte heeft de bezwaarverzekeringsarts de door haar aan de behandelend psychiater gevraagde inlichtingen niet afgewacht. Ten slotte heeft appellante haar verzoek om benoeming van een onafhankelijke medisch deskundige herhaald. 4. De Raad overweegt als volgt. 4.1. Met betrekking tot de hiervoor onder a),
  5. b)en
  6. c)geformuleerde gronden is de Raad van oordeel dat deze geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb opleveren. Al deze gronden hadden in beroep tegen het besluit van 27 januari 2004 naar voren kunnen worden gebracht. De door appellante gestelde gebreken - wat daar overigens verder van zij - zijn in ieder geval niet zodanig ernstig dat het besluit van 10 juli 2003 nietig is. 4.2. Ook grond
  7. d)slaagt niet. Appellante ziet over het hoofd dat het op haar weg ligt bij haar (nieuwe) aanvraag van 15 februari 2008 nieuwe feiten en of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb te vermelden. Overigens verenigt de Raad zich geheel met het in overweging 12 van de aangevallen uitspraak door de rechtbank gegeven oordeel over de zorgvuldigheid van het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts. 4.3. Voor inwilliging van het verzoek van appellante tot benoeming van een deskundige is geen plaats. De Raad wijst erop dat in het kader van een verzoek als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb - naar vaste rechtspraak van de Raad - in beroep en hoger beroep geen plaats is voor een deskundigenonderzoek. 4.4. Uit de overwegingen 4.1. tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. 5. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende; Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 december 2010. (get.) J. Brand. (get.) M. Mostert. KR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.