← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BO9645

10/1654 Wajong Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 5 februari 2010, 08/3803 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 17 december 2010 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november

  1. Namens appellante is verschenen mr. W.A.M. van Ooijen, advocaat te Helmond. Het Uwv was vertegenwoordigd door A. Ooms. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wajong, zoals die luidden tot 1 januari
  3. 1.
  4. Appellante is geboren [i in] 1978 en heeft per 23 juni 1998 een Wajong-uitkering toegekend gekregen in verband met haar astmatische klachten, klachten van sterke bronchiale hyperreactiveit en psychische klachten, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is toegekend op grond van de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellante voor arbeid, op basis waarvan onvoldoende geschikte functies voor haar konden worden geselecteerd door de arbeidsdeskundige. 1.
  5. Bij besluit van 3 april 2008 heeft het Uwv, na een medische en arbeidskundige herbeoordeling, besloten om de Wajong-uitkering van appellante per 4 juni 2008 te beëindigen, omdat zij per die datum minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 18 september 2008 ongegrond verklaard. 1.
  6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het besluit van 18 september 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat zij geen aanknopingspunten ziet voor het oordeel dat het rapport van de (bezwaar-)verzekeringsarts in strijd met de in acht te nemen zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Voorts ziet de rechtbank geen aanleiding om de vastgestelde medische beperkingen, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van appellante, voor onjuist te houden. Tenslotte acht zij de geschiktheid van de voorgehouden functies voor appellante afdoende gemotiveerd door de (bezwaar)arbeidsdeskundige.
  7. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rapportage van de verzekeringsarts gedateerd is en niet is gebaseerd op het actuele medische beeld van appellante. Voorts heeft zij gesteld dat de FML onjuist is. De beperkingen ten aanzien van de werktijden; haar persoonlijk en sociaal functioneren alsmede dynamische handelingen zijn onderschat. Met name is zij van mening dat ten onrechte geen rekening is gehouden met een urenbeperking. Tenslotte is aangevoerd dat de functies van productiemedewerker bedrading (SBC-code 111180: productiemedewerker industrie), monteur (SBC-code 267050: wikkelaar), zeilmaker (SBC-code 272043: productiemedewerker reeds niet geschikt zijn vanwege de urenomvang van deze functies en subsidiair met name vanwege de in deze functies voorkomende belasting ten aanzien van dampen en/of stof. 3.
  8. De Raad overweegt als volgt. 3.
  9. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De Raad stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank ter zake, maakt deze tot de zijne en voegt daar nog het volgende aan toe. De bezwaarverzekeringsarts heeft de informatie van de behandelend longarts van 28 april 2008 en van de huisarts van 21 april 2008 meegenomen in zijn beoordeling en heeft hierin aanleiding gezien om de FML bij te stellen ten aanzien van frequent buigen en duwen/trekken. De grond van appellante dat het medisch onderzoek is gebaseerd op verouderde medische gegevens slaagt dan ook niet. De Raad ziet, evenmin als de rechtbank, aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts, welke heeft geleid tot bijstelling van de FML. Appellante heeft haar stelling in hoger beroep dat sprake is van ernstiger beperkingen ten aanzien van stof, rook, gassen en dampen dan uiteindelijk vastgelegd in de FML en dat om energetische redenen een urenbeperking dient te worden gehanteerd niet nader onderbouwd met medische stukken. Gelet op de informatie van de behandelend sector en toelichting van de bezwaarverzekeringsarts, overtuigt de stelling van appellante niet. Daarbij tekent de Raad aan dat de informatie van de huisarts, voor zover deze ziet op het jaar 2008, behoudens de medicatie, geen bijzonderheden inhoudt. Het recept van de huisarts voor oxazepam, gedateerd 5 maart (zonder vermelding van het jaartal) geeft de Raad evenmin aanleiding tot twijfel aan de FML. De Raad stelt zich dan ook volledig achter de overwegingen van de rechtbank terzake en maakt deze tot de zijne. 3.
  10. Ten aanzien van de medische geschiktheid van appellante van de voorgehouden functies overweegt de Raad het volgende. 3.
  11. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de schatting gebaseerd op drie functies te weten die van administratief medewerker B (SBC-code 315040), monteur (SBC-code 267050) en zeilmaker (SBC-code 272043). De Raad is met de rechtbank van oordeel dat afdoende is gemotiveerd dat appellante, gelet op haar functionele mogelijkheden, in staat moet worden geacht deze functies te vervullen. De grond van appellante ten aanzien van de urenomvang van deze functies faalt reeds gelet op hetgeen in overweging 3.2 is geoordeeld over de door appellante voorgestane urenbeperking. Ten aanzien van de in de uitdraaien “Resultaat functiebeoordeling” van deze functies voorkomende belasting ten aanzien van stof, rook, gassen en dampen is de Raad van oordeel dat in de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige van 17 september 2008 en 20 november 2008 en van de bezwaarverzekeringsarts van 17 september 2008 en 13 november 2008 afdoende is toegelicht dat de in de functies voorkomende belasting op dit punt de functionele mogelijkheden van appellante niet overschrijdt. Ten aanzien van de functie van productiemedewerker bedrading (SBC-code 111180) wijst de Raad erop dat dit een reserve-functie betreft, die niet aan de schatting ten grondslag is gelegd. De Raad ziet dan ook geen aanleiding nader in te gaan op (de geschiktheid van) deze functie. 3.
  12. Gelet op de overwegingen 3.2 tot en met 3.4 dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. 3.
  13. De Raad acht geen termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en C.W.J. Schoor en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december
  14. (get.) G. van der Wiel. (get.) D.E.P.M. Bary. IvR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.