10/267 Wajong Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 december 2009, 08/2035 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 17 december 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november
- Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door J.G.M. Huijs. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant is geboren [ in]
- Hij heeft op 22 juni 2007 een aanvraag op grond van de Wajong ingediend, zoals deze toen gold. Het Uwv heeft, zoals appellant aangaf als eerste dag van arbeidsongeschiktheid de datum van het ongeval zijnde 18 september 1993 aangehouden. 1.
- Bij besluit van 16 juni 2008 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een Wajong-uitkering toe te kennen omdat hij op en na 16 september 1994 minder dan 25% arbeidsongeschikt was. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 30 oktober 2008 ongegrond verklaard. 1.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het besluit van 30 oktober 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat zij geen aanknopingspunten ziet voor het oordeel dat het rapport van de (bezwaar-)verzekeringsarts in strijd met de in acht te nemen zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Voorts ziet de rechtbank geen aanleiding om de vastgestelde medische beperkingen, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), voor onjuist te houden. Tenslotte acht zij de geschiktheid van de voorgehouden functies voor appellant afdoende gemotiveerd door de bezwaararbeidsdeskundige.
- In hoger beroep heeft appellant wederom aangevoerd dat het medisch onderzoek door de (bezwaar-)verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest nu onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische problematiek en dat ten onrechte geen psychiater is ingeschakeld voor een expertise. Hij verwijst voor de onderbouwing van deze stelling naar het in eerste aanleg overgelegde rapport van medisch adviseur M. Blom van 23 december
- De rechtbank heeft naar zijn mening aan deze rapportage niet de waarde gehecht die eraan dient te worden toegekend. 3.
- De Raad overweegt als volgt. 3.
- Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2007, LJN BA0905) dient een aanvraag om uitkering in beginsel te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak, waarop de aanspraak betrekking heeft. Gelet op de aanvraag van appellant om toekenning van een Wajong-uitkering vanwege op 18 september 1993 bestaande arbeidsongeschiktheid, moet deze aanvraag - inhoudelijk gezien - beoordeeld worden aan de hand van de bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), zoals die luidden op de datum in geding. 3.
- De Raad stelt vast dat het Uwv de besluitvorming heeft gebaseerd op de bepalingen van de Wajong, zoals die luidden tot 1 januari
- Deze wet is echter pas met ingang van 1 januari 1998 in werking getreden. Het Uwv had de besluitvorming dan ook moeten baseren op de - met ingang van 1 januari 1998 ingetrokken - AAW. Aangezien het - voor zover hier van belang - inhoudelijk in beide wetten om nagenoeg gelijkluidende bepalingen gaat, leest de Raad het besluit van 30 oktober 2008 als een weigering een uitkering met toepassing van de AAW toe te kennen. 3.
- De Raad overweegt dat de bezwaarverzekeringsarts de medische situatie van appellant heeft beoordeeld per 18 september 1993 en per einde wachttijd, 18 september 1994, waarbij hij beschikte over een uitgebreid medisch dossier waarin ook opgenomen de medische beoordeling in het kader van de Ziektewet per 18 september 1993 en ten aanzien van de aanvraag WAO in januari
- Hieruit blijkt onder andere dat appellant destijds een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend heeft gekregen in verband met beperkingen ten gevolge van een hersenkneuzing en whiplash en dat hij per december 1993 hersteld is verklaard voor de Ziektewet. Bij een medische beoordeling in april 1999 in het kader van de WAO is vastgesteld dat geen sprake is van (toegenomen) arbeidsongeschiktheid over de periode vanaf december
- De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van het medisch dossier vastgesteld dat het mentale tempo van appellant vertraagd is en de neuropsychologische klachten sterk interfereren met wisselende stemmingsklachten. De verzekeringsarts heeft in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 april 2008 beperkingen opgenomen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren: onder andere ten aanzien van concentratie, geheugen, deadlines, handelingstempo en enige beperkingen ten aanzien van dynamische en statische belastingen. Met de rechtbank acht de Raad het medisch onderzoek door het Uwv niet onzorgvuldig. De in eerste aanleg ingediende rapportage van M. Blom, medisch adviseur, geeft de Raad geen aanleiding tot twijfel aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek nu hier uit geen andere visie naar voren komt met betrekking tot de te objectiveren beperkingen die appellant ten tijde in geding ondervond. De bezwaarverzekeringsarts heeft de voorhanden medische stukken beoordeeld en op grond van de neurotische problematiek van appellant de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen bevestigd. De Raad acht het standpunt van appellant dat zijn beperkingen op de datum in geding zijn onderschat onvoldoende onderbouwd. 3.
- Ten aanzien van de voorgehouden functies overweegt de Raad het volgende. 3.
- De (bezwaar)arbeidsdeskundige heeft de schatting gebaseerd op de drie functies van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (SBC-code 111172), inpakker (SBC-code 111190) en papierwarenmaker (SBC-code 268040). De Raad is met de rechtbank van oordeel dat afdoende is gemotiveerd dat appellant, gelet op zijn functionele mogelijkheden, in staat moest worden geacht deze functies uit te oefenen en dat op basis van deze functies zijn mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedroeg op de datum in geding. Nu het gangbare productiefuncties betreft waarbij het aannemelijk is dat deze functies eveneens op 18 september 1994 op de arbeidsmarkt voorkwamen, is de Raad van oordeel dat deze functies terecht aan de schatting ten grondslag zijn gelegd. 3.
- Gelet op de overwegingen 3.2 tot en met 3.6 heeft het Uwv dan ook terecht vastgesteld dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van een Wajong uitkering vanwege sinds 18 september 1993 bestaande arbeidsongeschiktheid en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. 3.
- De Raad acht geen termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en C.W.J. Schoor en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december
- (get.) G. van der Wiel. (get.) D.E.P.M. Bary. IvR