09/1620 TOG Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 februari 2009, 08/3363 (hierna: aangevallen uitspraak) in het geding tussen SVB en [Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene) Datum uitspraak: 8 december 2010 I. PROCESVERLOOP SVB heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. H.D.E. Kaasjager, advocaat te ’s-Gravenhage, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2010. Betrokkene is verschenen met bijstand van mr. Kaasjager. SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz, werkzaam bij SVB en drs. G.A.C.G. Durlinger, arts bij ClientFirst Intermediairs te Zeist. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Betrokkene heeft een dochter [naam dochter], geboren [in] 2000, bij wie de diagnose Ziekte Von Willebrand, type III, een chronische bloedstollingsziekte, is gesteld. In verband hiermee heeft betrokkene op 24 oktober 2007 een tegemoetkoming aangevraagd op grond van de Regeling tegemoetkoming thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (hierna: TOG 2000). Daarbij heeft betrokkene informatie van de behandelend artsen van [naam dochter] gevoegd. 1.2. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft H. Harbiye, verzekeringsarts bij ClientFirst Intermediairs te Zeist (hierna: ClientFirst), op 4 december 2007 aan SVB een medisch advies uitgebracht. Daarin is aangegeven dat er bij [naam dochter] sprake is van door ziekte of stoornis veroorzaakte beperkingen. Deze zijn beoordeeld met behulp van het Beoordelingsinstrument TOG, waarbij een score van acht punten is vastgesteld. Twee punten voor alleen thuis zijn en voor begeleiding buitenshuis, en voor de onderdelen lichaamshygiëne, eten en drinken, medische verzorging en bezighouden/handreikingen elk een punt. 1.3. Bij besluit van 13 december 2007 heeft SVB de aanvraag afgewezen, omdat betrokkene met ingang van het vierde kwartaal van 2006 geen recht heeft op een tegemoetkoming op grond van de TOG 2000. Het aantal punten dat ClientFirst voor [naam dochter] heeft bepaald, ligt onder het vereiste minimumaantal van tien. Dit heeft tot de conclusie geleid dat [naam dochter] niet aanzienlijk meer afhankelijk is van geregelde oppassing en verzorging dan een gezond kind van haar leeftijd. 1.4. Betrokkene heeft tegen het besluit van 13 december 2007 bezwaar gemaakt. Daarbij heeft zij aangevoerd dat dit besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en dat de totstandkoming ervan niet inzichtelijk is. Voorts is aangevoerd dat SVB het algemene medische beeld en de in objectieve zin vastgestelde afhankelijkheid van zorg en hulp van [naam dochter] in het dagelijks leven heeft miskend. Reeds omdat [naam dochter] voldoet aan het in artikel 3 van de TOG 2000 neergelegde criterium van een noodzaak van aanzienlijk meer oppassing dan een gezond kind van gelijke leeftijd, diende volgens betrokkene beoordeling door SVB aan het Beoordelingsinstrument achterwege te blijven. 1.5. Naar aanleiding van het bezwaar heeft ClientFirst bij brief van 13 februari 2008 opnieuw een medisch advies uitgebracht. Daarin heeft de arts Durlinger geconcludeerd dat hij geen reden ziet om op het eerdere advies van ClientFirst van 4 december 2007 terug te komen. 1.6. Bij besluit van 18 april 2008 heeft SVB het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 13 december 2007 ongegrond verklaard. SVB heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat de beleidsregels en het Beoordelingsinstrument TOG zijn gebaseerd op de TOG 2000. Voor wat betreft de door betrokkene gestelde noodzaak van oppassing op [naam dochter] is opgemerkt dat dit aspect tot uitdrukking komt in de zorgscores van twee punten op de aandachtsgebieden alleen thuis zijn en begeleiding buitenshuis en in de zorgscore van één punt op het aandachtsgebied bezighouden/handreikingen. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 18 april 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en SVB opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de beleidsregels en het Beoordelingsinstrument in het algemeen niet in strijd komen met het recht en niet onredelijk zijn. In de bijzondere omstandigheden van dit geval doet de strikte toepassing hiervan volgens de rechtbank echter geen recht aan de ratio van de TOG 2000. Naar het oordeel van de rechtbank had SVB op grond van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moeten afwijken van de beoordelingssystematiek zoals neergelegd in de beleidsregels en het Beoordelingsinstrument. Daarbij heeft de rechtbank op basis van de “samenvatting onderzoek thuissituatie TOG” van 29 november 2007 en hetgeen betrokkene ter zitting van de rechtbank naar voren heeft gebracht, geoordeeld dat [naam dochter] min of meer permanent toezicht nodig heeft. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 4:84 (slot) van de Awb en artikel 3 van de TOG 2000. 3.1. SVB heeft in hoger beroep aangevoerd, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de SVB in strijd met artikel 4:84 (slot) van de Awb en artikel 3 van de TOG 2000 heeft beslist dat strikte toepassing van de beleidsregels en het ‘Beoordelingsinstrument TOG’ in het onderhavige geval geen recht doet aan de ratio van de TOG. Daarbij wijst SVB erop dat hij conform de toelichting op de Regeling op basis van tien beoordelingsthema’s - zoals uitgewerkt in het Beoordelingsinstrument - de vereisten van verzorging en oppassing als bedoeld in artikel 3 van de TOG heeft beoordeeld. Voorts heeft SVB bestreden dat [naam dochter] permanent toezicht dan wel oppassing nodig heeft. Er is volgens SVB geen medische noodzaak voor permanente oppassing - zoals door de ouders wel noodzakelijk wordt geacht - hetgeen ook niet door de behandelend artsen is geadviseerd. SVB verwijst naar het laatste verslag van de behandelend kinderarts van [naam dochter], dr. A. Beishuizen, waarin is vermeld dat er in 2006 eenmaal een neusbloeding is geweest, dat [naam dochter] regelmatig blauwe plekken heeft, dat [naam dochter] de basisschool bezoekt waar ze drie keer per week gym heeft en dat er volgens haar moeder en haar broer nooit sprake is geweest van een functiebeperking. SVB acht het onbegrijpelijk dat de rechtbank louter is afgegaan op verklaringen van betrokkene en de samenvatting van het huisbezoek op 29 november 2007 van ClientFirst en de objectieve medische gegevens, die onder meer blijken uit het laatste verslag van dr. Beishuizen, niet in haar beoordeling heeft betrokken. 3.2. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht, is goeddeels een herhaling van hetgeen in eerdere aanleg is aangevoerd. Daarbij is voorts gesteld dat dr. Beishuizen zich niet heeft uitgelaten over de vraag of permanent toezicht noodzakelijk was. Dat dr. Beishuizen een actief, gezond ogend meisje - onder de blauwe plekken - zag, is volgens betrokkene te danken aan het permanente toezicht van haar op [naam dochter]. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1.1. Artikel 1:3, vierde lid, van de Awb bepaalt dat onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan. 4.1.2. Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. 4.2. De Raad stelt voorop dat de TOG 2000 tot doel heeft ouders/verzorgers die een zeer ernstig gehandicapt kind thuis verzorgen, terwijl dit kind gelet op de aard en mate van zijn handicap in een intramurale AWBZ-instelling geplaatst zou kunnen worden, financieel tegemoet te komen. 4.3.1. In artikel 2 van de TOG 2000 was ten tijde van belang bepaald dat als kind wordt aangemerkt een persoon tussen de 3 en 18 jaar, die ernstig beperkt is in het dagelijks functioneren als gevolg van een ziekte of stoornis van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard waardoor hij blijvend of voorlopig blijvend gehandicapt is. 4.3.2. In artikel 3 van de TOG 2000 was ten tijde van belang - kort gezegd - bepaald dat als (voorlopig) blijvend gehandicapt wordt aangemerkt het kind dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.