10/215 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 december 2009, 09/2830 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College) Datum uitspraak: 28 december 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.M. Bonsen-Lemmers, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november
- Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage. II. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant heeft op 24 november 2008 bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd voor de kosten van het verlengen van de uitgiftetermijn van het graf van zijn ouders. Appellant kan dit zogeheten grafrecht, dat is gevestigd op 14 februari 1979 en eindigt op 14 februari 2009, voor een periode van 10 jaar verlengen tegen betaling van € 474,
- 1.
- Bij besluit van 2 december 2008 heeft het College afwijzend beslist op de aanvraag van appellant. Bij besluit van 9 maart 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 2 december 2008 ongegrond verklaard. Aan het besluit op bezwaar ligt ten grondslag dat appellant de keuze heeft tussen het verlengen van het grafrecht en het laten vervallen daarvan en dat, gelet op deze keuzemogelijkheid, de kosten van verlenging niet als noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen worden aangemerkt.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 maart 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de door appellant gewenste verlenging van het grafrecht op zich begrijpelijk geacht, maar geoordeeld dat geen noodzaak bestaat om dit recht te verlengen. Naar het oordeel van de rechtbank behoren vanuit oogpunt van toepassing van de WWB de kosten die voortkomen uit de vrijwillig gemaakte keuze van appellant voor zijn rekening te blijven. Voorts is de rechtbank niet gebleken van zeer dringende redenen op grond waarvan alsnog tot toekenning van bijzondere bijstand aan appellant kan worden overgegaan.
- Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. 4.
- Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB eerst beoordeeld worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of die kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, op welk punt het college ingevolge genoemde bepaling een zekere beoordelingsvrijheid heeft. 4.
- De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College de kosten van de door appellant gewenste verlenging van het grafrecht terecht niet heeft aangemerkt als noodzakelijke kosten. Appellant heeft aangevoerd dat zijn keuze wordt bepaald door enerzijds zwaarwegende redenen van emotionele aard en anderzijds de kosten van het alternatief, het ruimen van het graf. Hoewel de Raad met de rechtbank de wens van appellant om het grafrecht te verlengen op zich begrijpelijk acht, kan dit niet leiden tot de conclusie dat de daaraan verbonden kosten als noodzakelijk moeten worden aangemerkt. Appellant heeft de mogelijkheid om af te zien van verlenging van het grafrecht, zodat het zijn keuze is of deze kosten worden gemaakt. De Raad is niet gebleken dat in de omstandigheden van appellant in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd van verlenging van het grafrecht af te zien. Het College heeft aangevoerd dat de kosten van het ruimen van een graf voor rekening komen voor de houder van de begraafplaats. De Raad heeft geen reden om dit standpunt van het College voor onjuist te houden. Daarbij merkt de Raad op dat hier niet voorligt een aanvraag van bijzondere bijstand voor de kosten van het ruimen van een graf. 4.
- Nu de kosten, waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd, niet als noodzakelijk kunnen worden aangemerkt behoeven de overige in 4.2 genoemde vragen geen bespreking en is het College niet bevoegd om met toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB bijzondere bijstand te verlenen. 4.
- Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak - met verbetering van gronden - voor bevestiging in aanmerking komt.
- De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 december
- (get.) N.J. van Vulpen-Grootjans. (get.) R. Scheffer. IJ