09/6600 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 november 2009, (08/8608) (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College) Datum uitspraak: 21 december 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.A.R. Schuckink Kool, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 08/5672 WWB, plaatsgevonden op 9 november
- Voor appellante is verschenen mr. Schuckink Kool. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.H. van Bolhuis, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage. Na sluiting van het onderzoek zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan. II. OVERWEGINGEN
- Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn uitspraak van heden, met reg. nr. 08/5672 WWB. Voorts gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Op 7 augustus 2008 heeft appellante bij het College opnieuw bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand aangevraagd voor transportkosten van haar goederen uit een opslag in [gemeente] naar haar woning in [woonplaats]. 1.
- Bij besluit van 11 september 2008 heeft het College de aanvraag afgewezen. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het College bij besluit van 10 november 2008 ongegrond verklaard. Het College heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd ten opzichte van de eerdere afwijzing bij besluit van 28 augustus
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Hierbij is overwogen dat, in een situatie waarin een aantal aanvragen elkaar opvolgen, als uitgangspunt geldt dat de latere bijstandsaanvraag is aan te merken als een aanvraag als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tenzij deze latere aanvraag betrekking heeft op een latere ingangsdatum dan de eerdere aanvraag. De rechtbank merkt de enkele intentie om openheid van zaken te verschaffen niet als nieuw feit of veranderde omstandigheid aan, zodat het College bevoegd was de aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beslissing van 5 november 2007 (lees: 28 augustus 2007).
- In hoger beroep heeft appellante zich tegen deze uitspraak gekeerd. Daartoe heeft zij, samengevat, aangevoerd dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat de aanvraag van 28 maart 2007 is afgewezen op de grond dat appellante onvoldoende informatie heeft verstrekt. Het uiten van de bereidheid om alsnog volledige duidelijkheid te verschaffen dient te worden beschouwd als nieuw feit of omstandigheid die noopt tot het alsnog in behandeling nemen van die aanvraag.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak gemotiveerd uiteengezet op grond waarvan naar haar oordeel het besluit tot afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor transportkosten in rechte stand kan houden. De rechtbank is daarbij uitvoerig ingegaan op de door appellante naar voren gebrachte stellingen. 4.
- De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. Hetgeen appellante in hoger beroep - bij wijze van herhaling van het gestelde in beroep - naar voren heeft gebracht, biedt geen aanknopingspunten om in andere zin te oordelen. Ook de Raad is van oordeel dat de enkele bereidheid om de benodigde informatie te verstrekken niet als nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt. Het College was dus bevoegd de aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere afwijzende besluit van 28 augustus
- In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. 4.
- Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
- De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december
- (get.) R.H.M. Roelofs. (get.) C. de Blaeij. JvS