09/4338 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 10 juli 2009, 08/7015 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 29 december 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E. Kort-Schenk, werkzaam bij Stichting Univé Rechtsbijstand te Assen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van een bezwaararbeidsdeskundige ingezonden. Appellant heeft stukken ingezonden waarop van de zijde van het Uwv is gereageerd onder toezending van een rapport van een bezwaararbeidsdeskundige. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november
- Appellant is verschenen bijgestaan door mr. C.J. de Wever, kantoorgenoot van mr. Kort-Schenk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant, werkzaam als schipper op een rondvaartboot voor 42,3 uur per week, heeft zich op 17 mei 2000 ziek gemeld vanwege een burnout. Het Uwv heeft appellant na afloop van de wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Appellant is nadien blijven werken in het eigen werk bij zijn eigen werkgever in een beperktere urenomvang (drie dagen per week). 1.
- Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in 2008 herbeoordeeld. Appellant werd door de verzekeringsarts belastbaar geacht voor hele dagen weinig stressvol werk. De arbeidsdeskundige concludeerde daarop dat appellant geschikt te achten was voor de maatgevende arbeid alsmede voor de voor hem geselecteerde functies waarmee hij een zodanig inkomen kon verwerven dat het verlies aan verdiencapaciteit 23,89% bedraagt. Het Uwv heeft de WAO-uitkering van appellant bij besluit van 13 mei 2008 ingaande 6 juli 2008 ingetrokken, omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt is.
- Bij besluit van 29 september 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 mei 2008 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op rapporten van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige. De bezwaarverzekeringsarts heeft vastgesteld dat bij appellant sprake was van chronische burnoutklachten (gestagneerde gedeeltelijke remissie). De bezwaarverzekeringsarts heeft in hetgeen in bezwaar is aangevoerd onvoldoende aanleiding gezien de voor appellant vastgestelde belastbaarheid onjuist te achten. Wel heeft de bezwaarverzekeringsarts de toelichting op aspect 2.12.1 in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 25 augustus 2008 aangepast. De bezwaararbeidsdeskundige heeft geen argumenten gevonden om af te wijken van het standpunt van de arbeidsdeskundige; appellant is geschikt te achten voor de maatgevende arbeid alsmede voor de voor hem geselecteerde functies.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft over de medische grondslag van het bestreden besluit geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat zij geen redenen heeft om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies daarvan. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv genoegzaam heeft gemotiveerd dat appellant de maatgevende arbeid kan verrichten.
- Appellant heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als hij in beroep heeft aangevoerd. Appellant heeft betoogd dat hij ten gevolge van chronische burnoutklachten en vanwege het gevaar voor recidive beperkt is in zijn duurbelasting. De rechtbank heeft, zo stelt appellant, het Uwv ten onrechte gevolgd in zijn standpunt dat appellant geschikt te achten is voor het eigen werk in volle omvang. Appellant heeft verder aangevoerd dat het Uwv een onjuist beeld heeft gehad van de belastbaarheid in het eigen werk. Het arbeidskundig onderzoek is onzorgvuldig geweest op dit punt nu het Uwv bij het ontbreken van een deugdelijke functiebeschrijving van het eigen werk van appellant geen feitelijk onderzoek heeft verricht naar de werkplek. In het eigen werk van schipper op een rondvaartboot is, zo stelt appellant, sprake directe klachtencontacten en veelvuldige piekbelasting. Appellant acht het tot slot onjuist dat de rechtbank geen oordeel gegeven heeft over de geschiktheid van de voor hem geselecteerde functies.
- De Raad overweegt als volgt. 5.
- In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat appellant op de datum in geding zwaarder beperkt was dan door het Uwv en de rechtbank is aangenomen. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 25 augustus 2008 genoegzaam gemotiveerd waarom er geen indicatie is voor een urenbeperking. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarin overwogen dat er is geen sprake van een ernstig psychiatrisch beeld en dat met de vastgestelde beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren in de FML voldoende wordt bewerkstelligd dat werkzaamheden, die hiermee in overeenstemming zijn, de klachten van appellant in essentie niet zullen doen toenemen. De Raad onderschrijft deze overwegingen van de bezwaarverzekeringsarts. Appellant heeft in hoger beroep geen medische stukken in geding gebracht die zijn standpunt onderbouwen dat een duurbeperking geïndiceerd is. 5.
- Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid in de FML van 25 augustus 2008 is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat gelet op de belasting in het eigen werk van appellant, hij voor dat eigen werk geschikt is. De Raad is niet gebleken dat het Uwv een onvoldoende duidelijk beeld had van de werkzaamheden die appellant verrichtte. De Raad overweegt daartoe dat blijkens het rapport van de arbeidsdeskundige J.A. van der Holst van 23 april 2001, dat is opgesteld in het kader van de einde wachttijd beoordeling en waarnaar verwezen wordt in het kader van deze herbeoordeling, de werkgever van appellant zich heeft kunnen vinden in de door appellant zelf gegeven beschrijving van de belasting in het eigen werk. Dat het werk in de loop der jaren drukker is geworden acht de Raad niet van doorslaggevend belang nu appellant kennelijk zonder problemen deze toegenomen drukte heeft kunnen opvangen in de afgelopen jaren waarin hij - zij het parttime - zijn eigen werk verrichtte. De Raad onderschrijft voorts de overwegingen van de bezwaararbeidsdeskundige R. Hooff in zijn rapport van 3 juni 2009 in reactie op de in beroep aangevoerde - en in hoger beroep herhaalde - arbeidskundige gronden. De bezwaararbeidsdeskundige Hooff heeft naar het oordeel van de Raad bij rapporten van 27 augustus 2009 en 3 november 2010 verder genoegzaam gemotiveerd waarom het door appellant in hoger beroep nagezonden onderzoeksrapport van de dienst Binnenwaterbeheer Amsterdam uit 2003 evenals de eigen beschrijving van appellant van zijn werkzaamheden hem geen aanleiding heeft gegeven zijn standpunt te wijzigen. De Raad onderschrijft tot slot het oordeel van de rechtbank dat de overige beroepsgronden van arbeidskundige aard gericht tegen de aan de schatting ten grondslag gelegde functies onbesproken kunnen blijven nu vaststaat dat het Uwv appellant terecht geschikt heeft geacht voor het eigen werk. 5.
- Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 en 5.2 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december
- (get.) C.P.M. van de Kerkhof. (get.) A.L. de Gier. JL