09/4860 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 juli 2009, 08/2722 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [Betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene) en appellant. Datum uitspraak: 12 januari 2011 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. R.P. Baetens, advocaat te Tilburg, een verweerschrift met bijlagen ingediend. Bij brief van 30 september 2009 met bijlage heeft appellant de Raad een reactie doen toekomen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december
- Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde M.J.H. Maas. Betrokkene is verschenen bij haar advocaat mr. Baetens en R. Stuifmeel. II. OVERWEGINGEN 1.
- [T.] (hierna: de werknemer), die werkzaam was als machine operator in het bedrijf van betrokkene, heeft zich per 13 februari 2006 ziek gemeld in verband met hart- en knieklachten en er was sprake van overgewicht. Op 29 mei 2006 werd de werknemer in het ziekenhuis opgenomen in verband met acute hartklachten waarvan hij spoedig was hersteld. Op 1 november 2007 heeft de werknemer een aanvraag om uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. 1.
- Bij besluit van 3 januari 2008 heeft appellant het tijdvak van 104 weken waarover werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte (hierna: de wachttijd) met 52 weken verlengd. Appellant heeft deze verlenging (ook aangeduid als: de loonsanctie) opgelegd, omdat betrokkene niet aan haar re-integratie-inspanningen heeft voldaan. Voor dit verzuim ontbreekt volgens appellant een deugdelijke grond. Hierbij heeft appellant toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, in verbinding met artikel 65, eerste lid, van die wet. 1.
- Bij besluit van 26 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans van 17 maart 2008, het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met bepalingen over het griffierecht en de proceskosten - het door betrokkene ingediende beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het primaire besluit van 3 januari 2008 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. De rechtbank is met appellant van oordeel dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Voorts heeft de rechtbank echter geoordeeld dat dit verzuim, voor zover de begeleiding en advisering door de bedrijfsarts niet adequaat zijn geweest, betrokkene niet kan worden verweten en heeft om die reden het bestreden besluit vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit gebrek, dat ook aan het besluit van 3 januari 2008 kleeft, niet worden hersteld hetgeen aanleiding heeft gegeven om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien.
- In hoger beroep heeft appellant gewezen op de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde motivering, in het bijzonder op het ter zake uitgebrachte rapport van de bezwaarverzekeringsarts, en betwist - zo heeft de Raad begrepen - dat betrokkene een deugdelijke grond had om onvoldoende re-integratie-inspanningen te verrichten. De werkgever kan zich laten bijstaan door een arbodienst/bedrijfsarts, maar dit doet niet af aan zijn wettelijke verantwoordelijkheid. In dit verband heeft appellant gewezen op de uitspraken van de Raad van 18 november 2009, LJN BK3713 en 29 september 2010, LJN BN
- Betrokkene heeft - kort samengevat - aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. In dit verband heeft betrokkene erop gewezen dat er sprake was van overgewicht bij de werknemer hetgeen tot uitstel leidde van de geplande knieoperatie van de werknemer. Om tot de gewenste gewichtsvermindering te komen was namelijk eerst een maagoperatie nodig waarbij een maagband zou worden geplaatst. De bedrijfsarts heeft getracht de werknemer hoger op de wachtlijst voor deze maagoperatie te krijgen. In 2008 - na de wachttijd - is een maagband bij de werknemer aangebracht, maar gebleken is dat de werknemer ook daarna niet voldoende is afgevallen om de gewenste operatie voor het aanbrengen van een knieprothese met succes te kunnen uitvoeren. Naar de mening van betrokkene onderstreept dit laatste haar standpunt dat grotere inspanningen van de bedrijfsarts gedurende de wachttijd niet tot een beter re-integratie-resultaat van de werknemer hadden kunnen leiden. 5.
- De Raad stelt vast dat uitsluitend appellant hoger beroep heeft ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en dat het hoger beroep van appellant zich richt tegen het oordeel van de rechtbank dat betrokkene niet kan worden verweten dat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht voor zover begeleiding en advisering door de bedrijfsarts niet adequaat zijn geweest. 5.
- Betrokkene heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. 5.
- Met verwijzing naar zijn uitspraak van 22 oktober 2008, LJN BG1621, overweegt de Raad dat de omvang van het geding in hoger beroep in beginsel wordt bepaald door de gronden die de indiener van het hoger beroepschrift tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd. Beroepsgronden die door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen kunnen, voor zover de in hoger beroep aangevoerde gronden zich niet tot die oordelen van de rechtbank uitstrekken, in hoger beroep niet opnieuw aan de orde worden gesteld. Dit is slechts anders indien sprake is van nauwe verwevenheid tussen een of meer gronden die de indiener van het hoger beroep heeft aangevoerd en een of meer door een andere partij bij wege van verweer naar voren gebrachte standpunten, dan wel indien van die andere partij redelijkerwijs niet kon worden gevergd zelf hoger beroep in te stellen, omdat zij daarbij geen - zelfstandig - belang had. 5.
- In dit geval is sprake van een situatie dat van betrokkene redelijkerwijs niet kan worden gevergd zelf hoger beroep in te stellen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank immers niet alleen het bestreden vernietigd, maar ook het daaraan voorafgaande primaire besluit van 3 januari 2008 herroepen. Gelet op die omstandigheid had betrokkene geen zelfstandig belang bij het instellen van hoger beroep. Dit betekent dat de door betrokkene als verweer aangevoerde vraag of betrokkene voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht in dit geval tot de omvang van het hoger beroep behoort. De Raad wijst hierbij naar zijn uitspraak van 18 mei 2010, LJN BM
- 5.
- Vastgesteld kan worden dat de stukken voldoende steun bieden voor de conclusie van appellant dat gedurende de wachttijd ten aanzien van werknemer sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door betrokkene. In dit verband wijst de Raad op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts Hofmans van 17 maart 2008, waarin is vermeld dat bij de werknemer artrose aan een knie is vastgesteld en ernstig overgewicht. Er is een indicatie voor een knieprothese, maar de werknemer dient dan eerst tien kilogram af te vallen voordat hij kan worden geopereerd voor een maagverkleining. Vervolgens dient zijn gewicht te worden gereduceerd tot minder dan 100 kilogram alvorens de knieprothese wordt geplaatst. De verzekeringsarts had reeds vastgesteld dat de werknemer zich niet voldoende had ingezet om af te vallen en dat de bedrijfsarts de werknemer ten onrechte niet heeft aangesproken op zijn inadequate herstelgedrag. Er hadden in de wachttijd concrete pogingen kunnen worden ondernomen om tot gewichtsreductie te komen, bijvoorbeeld door overleg met en verwijzing naar de behandelend artsen en door behandeling in een obesitaskliniek, ook al stond het resultaat daarvan niet bij voorbaat vast. Door de inactiviteit van de werknemer is zijn gewicht in 2007 evenwel duidelijk toe- en niet afgenomen. Niet is gebleken van een nader medisch advies ter zake door de bedrijfsarts en het Plan van aanpak is in 2007 niet bijgesteld. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant terecht de conclusie getrokken dat betrokkene gedurende de wachttijd te afwachtend was en dat haar re-integratie-inspanningen in die periode onvoldoende zijn geweest. De Raad wijst er op dat van de door betrokkene ingeschakelde bedrijfsarts meer inspanningen hadden mogen worden verwacht wat betreft het overgewicht van de werknemer. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank wat dit betreft onder 2.5.1 en 2.5.2 in de aangevallen uitspraak heeft overwogen waar is geoordeeld dat er sprake was van onvoldoende re-integratie-inspanningen. Het feit dat betrokkene de werknemer tijdens de wachttijd verschillende functies in zijn bedrijf heeft aangeboden en de werknemer aldus korte tijd heeft geprobeerd te hervatten, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. 5.
- De Raad neemt voorts de conclusie van appellant over dat betrokkene voor haar tekortkomingen op het vlak van de re-integratie-inspanningen geen deugdelijke grond heeft gehad. Met betrekking tot het door betrokkene ingenomen standpunt dat zij steeds de adviezen van haar bedrijfsarts heeft gevolgd en dat zij niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan, verwijst de Raad naar zijn onder 3 genoemde uitspraken, waarin is geoordeeld dat appellant er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor re-integratie bij de werkgever is gelegen. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding ten aanzien van haar tot een andersluidend oordeel te komen. 5.
- Uit hetgeen hiervoor onder 5.1 tot en met 5.6 is overwogen volgt dat de Raad - anders dan de rechtbank - van oordeel is dat het bestreden besluit waarbij de opgelegde loonsanctie is gehandhaafd, in rechte stand kan houden. 5.
- Het hoger beroep van appellant slaagt derhalve en de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Raad het beroep ongegrond.
- De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari
- (get.) Ch. van Voorst. (get.) N.S.A. El Hana. EK